De koffieboeren merken nog weinig van die ‘eerlijke’ handel

Certificering Veel koffie heeft een keurmerk, maar wat dat zegt over eerlijke handel of duurzame teelt is vaak onduidelijk.

Foto Getty Images

Het is 163 jaar geleden dat Multatuli zijn aanklacht tegen de uitbuiting van de Javaanse bevolking schreef. En 34 jaar geleden werd het eerste pak Max Havelaar-koffie verkocht, met als doel: betere prijzen voor Mexicaanse boeren. Inmiddels heet Max Havelaar Fairtrade en zijn er in Nederland nog zeker tien andere koffiekeurmerken en bedrijfslogo’s die allemaal eisen stellen aan de omgang met mens en milieu. Fairtrade is in Nederland de bekendste, UTZ en Rainforest Alliance zijn samengegaan onder de laatste naam. Dan zijn er nog biologische keurmerken – die boeren veelal ook een betere prijs opleveren – en logo’s van bedrijven en merken die hun eigen criteria van ‘eerlijk’ en ‘duurzaam’ hanteren, zoals van Lidl.

Je moet in de supermarkt je best doen om koffie te vinden zonder keurmerk. Maar wat ze waard zijn? Consumenten weten het vaak niet, bleek onlangs ook weer eens uit een peiling van ontwikkelingsorganisatie Solidaridad: 64 procent van de ondervraagden dacht dat het verboden is producten te verkopen waarvoor mensen worden uitgebuit. Nee dus. En wie weet het wel, vraag je je af als je de Coffee Barometer leest, een rapport waarin vier ngo’s (waaronder Solidaridad) de koffiehandel onder de loep nemen.

De standaarden waaraan producenten zich committeren, veranderen voortdurend, valt te lezen, en hoewel multinationals die hun eigen standaard hanteren (zoals Nestlé of Starbucks) de lat soms hoger leggen, is niet duidelijk of ze het bestaan van boeren ook altijd echt verbeteren. Het kost boeren veel geld om aan alle certificeringseisen te voldoen, een last die vooral voor kleine boeren nauwelijks is op te brengen. Terwijl hun oogsten tegelijkertijd bedreigd worden door klimaatverandering (neerslagschommelingen) en ziektes en plagen.

Andrea Olivar, een Colombiaanse die eerst voor een koffiehandelaar werkte en nu als koffiedeskundige voor Solidaridad, legt via Zoom uit waar het knelt. Het grootste deel van de koffie wordt verhandeld op termijnmarkten, waar op vraag en aanbod in de toekomst wordt gespeculeerd. „Koffieboeren bepalen dus niet zelf hun prijzen en weten door de grote prijsschommelingen ook niet waar ze op kunnen rekenen.” Dat maakt vooruitdenken, ondernemen, moeilijk.

Lage prijzen

Ruim de helft van alle koffie wereldwijd komt weliswaar van gecertificeerde boeren, maar slechts een kwart daarvan kunnen ze verkopen als gecertificeerde koffie. 75 procent wordt dus verkocht als niet-gecertificeerde koffie. Niet omdat boeren dat willen, maar omdat veel handelaren de duurdere koffie niet afnemen. Bovendien wordt voor gecertificeerde koffie lang niet altijd een betere prijs betaald. Dit maakt het voor boeren onaantrekkelijk om te investeren in duurzame productie en certificering.

Sinds november 2020 stijgen de koffieprijzen weer, maar jarenlang waren ze zo laag dat kleine boeren vaak niet eens het bestaansminimum haalden, laat staan dat er iets overbleef voor investeringen. Vet op de botten om het vol te houden in een volatile markt hebben alleen de meest efficiënte boeren, met name in Brazilië. Hoewel juist in de grootste koffieproducerende landen – Brazilië, Vietnam, Indonesië en Colombia – veel land ongeschikt wordt door klimaatverandering, vooral voor de beter betaalde Arabica-koffie, die van een hogere kwaliteit is maar kwetsbaarder dan Robusta.

Afspraken over betere leefomstandigheden en transparantie van de handel zijn afhankelijk van de goedertierenheid van bedrijven. Er zijn allerlei initiatieven waarin die samenwerken, maar ‘commitments’ zijn vaak vaag, stelt het rapport, en niemand kan handelaren en producenten verantwoordelijk houden.

Er zijn ongeveer 12,5 miljoen koffieboeren, 95 procent heeft minder dan 5 hectare grond en zij produceren driekwart van de koffie. Aan de andere kant is de handel in handen van een klein clubje internationale handelaren. Vijf bedrijven, waar je als consument nooit van hoort, beslaan de helft van de markt. Zij verkopen hun koffie aan de ongeveer tien multinationals die de markt beheersen en waarvan Nestlé, JDE Peet’s (onder andere Douwe Egberts) en Starbucks de bekendste zijn.

15 cent voor de boer

De meeste waarde zit niet aan het begin maar aan het einde van de keten. Olivar rekent voor welk deel van een kop koffie van 3 euro bij een koffietentje grofweg bij de boer terechtkomt. „Tweederde van die kop koffie heeft de eigenaar nodig voor huur, belasting, personeel en zijn eigen winst. Eenderde van die 3 euro wordt verdeeld tussen brander, handelaar en koffieproducent.” In een ‘hoge’ markt blijft misschien 25 cent over voor de boer, als de prijzen laag zijn maar 15 cent.

Als je weet dat 60 procent van de kosten van de gemiddelde boer bestaan uit arbeid, weet je dat de inkomens van boeren en plukkers in slechte tijden sterk onder druk staan. Olivar: „Boeren met weinig land komen zo nooit uit de armoede. Vooral in Afrika, waar de meeste kleine boeren zitten en kinderen het land van hun ouders vaak onderling moeten verdelen.”

De consument heeft te hoge verwachtingen van keurmerken, stelt Solidaridad. Dat betekent niet dat ze waardeloos zijn. Hooguit dat je je extra moet verdiepen als je een eerlijke prijs wilt betalen. Een single origin (geen ‘blend’ van de grote hoop, maar koffie uit één gebied) of een hogere prijs kán betekenen dat boeren beter af zijn. ‘Specialty coffees’, kwaliteitskoffie van kleinere producenten, vertellen vaker dan grote merken het verhaal van de boer achter de koffie. „Maar voor het gros van de boeren wordt meer bereikt als consumenten de ‘big brands’ verantwoordelijk houden”, zegt Olivar. „Een kleine groep consumenten staat misschien open voor koffie van 35 euro per kilo. Maar niet iedereen kan elke dag ‘champagne’ drinken. De problemen en de oplossingen zitten bij de handelaren en de grote merken.”