Als gewelddadig extremisme dreigt -en politici in het naoorlogs verzet gaan

Deze week: verdacht late keuzes in de VVD over een voormalig terrorist uit eigen kring. Ofwel: alarmerende signalen over gewelddadig rechts-extremisme in hoge politieke kringen – en de bemoeilijkte bestrijding daarvan na deze week.

Afgelopen week hoorde ik voor het eerst dat eind vorig jaar binnen een regeringspartij, in kleine kring, gesproken is over de groeiende dreiging van politiek geweld. Daarbij passeerde het voorbeeld van geüniformeerde radicalen, geregeld sympathisanten van FVD, die zich presenteren als ‘bewakers’ op coronademonstraties.

Het gesprek in die regeringspartij was nogal alarmerend, bevestigde een aanwezige – ook omdat er ‘zeer vertrouwelijke’ informatie werd uitgewisseld.

En achteraf is wel duidelijk dat de verzamelde inlichtingendiensten in diezelfde periode de politiek een signaal wilden geven.

Behalve de bekende jihadistische dreiging maakte bijvoorbeeld terrorismecoördinator NCTV er 26 oktober melding van dat nu „ook vanuit rechts-extremistische hoek een aanslag voorstelbaar” is.

Dit laatste ging over het rechts-extremistisch accelerationisme, een beweging die sociale onlusten wil stimuleren om de maatschappelijke orde omver te werpen.

„Het is vooral de geweldsverheerlijking [van deze jongeren] waar we ons zorgen over maken”, zei NCTV-voorman Pieter-Jaap Aalbersberg 7 november tegen de NOS. Ze variëren in leeftijd van 12 tot 20 jaar en zijn actief „in de krochten van het internet”.

En de binnenlandse veiligheidsdienst AIVD specificeerde de dreiging in een Kamerbrief van 17 december, waarin de dienst haar plannen voor 2022 toelichtte.

De „geweldstoename uit rechts-extremistische hoek”, stond er, is erop gericht „het huidige politieke bestel versneld (acceleratie) te vervangen door een witte etnostaat”.

Je kunt zeggen: dit past in tijden van radicalisering, waarin de aanname dat de waarheid ergens in het midden ligt verminderd zeggingskracht heeft. En waarin politieke feiten even versnipperd zijn geraakt als de politiek zelf: ieder zijn eigen waarheid – en radicaliteit.

Haagse invloed bereik je dan vooral nog met agendering, zodat de discussie gaat over jouw zienswijze, en dit verklaart waarom het debat de laatste weken niet draaide om de recente waarschuwingen van de diensten, maar om een veroordeelde moslimterroriste uit de jaren 2000, Soumaya Sahla, die sinds 2017 vrijwilliger in de VVD was.

Het ontstond nadat Geert Wilders openlijk over haar klaagde. Sahla is oud-lid van de Hofstadgroep, die in 2004 verantwoordelijk was voor de moord op Theo van Gogh. In een andere zaak uit die periode werd zij veroordeeld wegens verboden wapenbezit en terroristische samenzwering.

Vanaf 2011 bouwde ze met behulp van oud-VVD-leider Frits Bolkestein een politiek netwerk op. In de rechts-conservatieve kringen waarin zij nu verkeert, geldt ze als toonbeeld van een gederadicaliseerde oud-terrorist. Zo leek het ook logisch dat ze een VVD-beraad over ‘terrorisme en radicalisering’ leidde.

Maar nadat Wilders de kwestie aansneed, was er op 5 december meteen een VVD-Kamerlid, Ulysse Elian – zoon van Afshin Elian, in de jaren 2000 ook bedreigd door de Hofstadgroep – die vaststelde dat Sahla nooit „openbaar” de „verantwoordelijkheid” voor haar daden nam. Datzelfde feit was in 2016 voor de Hoge Raad reden haar celstraf (drie jaar) niet te verminderen.

Toch negeerde de VVD-top deze kritiek uit eigen kring. Dus toen Wilders Sahla’s positie in de VVD vorige week opnieuw aankaartte („moslimtuig van de richel”), deed de partij alsof Wilders maar wat blaatte – waarna de partijleiding aan een pijnlijke terugtocht begon.

Eerst zei fractievoorzitter Sophie Hermans vorig weekeinde bij WNL op Zondag dat de kwestie-Sahla ‘ongemakkelijk voelt’, daarna steunde premier Mark Rutte haar, en woensdag legde Sahla haar VVD-functie alsnog neer.

Naoorlogs verzet, in volle glorie.

En zeker zo belangrijk: het illustreerde hoe lastig het blijkbaar is in deradicalisering te geloven. Gezien de groeiende radicaliteit in de hele maatschappij nogal van betekenis.

Kenmerkend leek me dat de verdeeldheid hierover ook dwars door de groep liep die Bolkestein, als VVD-leider de invloedrijkste politicus van de jaren negentig, omringde toen hij aan zijn opmars in Den Haag begon.

Zo zat Wilders zelf als VVD-medewerker in die tijd in het ‘klasje van Frits’. De Leidse hoogleraar Andreas Kinneging, nu promotiebegeleider van Sahla, werkte eind jaren tachtig onder begeleiding van Bolkestein bij de Teldersstichting (wetenschappelijk instituut VVD) aan een conservatieve correctie op het liberalisme. Na Wilders’ aanval op Sahla noemde hij haar in december „een topwijf”: „Oude koeien uit de sloot halen voor politiek gewin is eerloos.” En de Leidse hoogleraar Paul Cliteur, destijds lid van het curatorium van de Teldersstichting, verweet de VVD deze week dat ze „achteloos” omsprong met „de belangen” van „Wilders”, „Sahla” en „het Nederlandse volk”.

Hierbij viel wel op dat Cliteur er niet bij vertelde dat Sahla in 2019 panellid was op de presentatie van zijn boek over ‘Theoterrorisme’, waarin hij claimt dat het Westen eigen vrijheden en de levens van islamcritici (Wilders, Hirsi Ali) opoffert uit angst voor religieus gefundeerd terrorisme. Terrorismedeskundige Edwin Bakker, destijds het derde panellid, vertelde me deze week dat „Soumaya Sahla vol lof was over de standpunten van Paul Cliteur”.

Detail: dit was 11 april 2019, kort na de Statenverkiezingen waarbij FVD de grootste werd, waarmee toen al duidelijk was dat Cliteur later dat jaar FVD-senator werd.

In al deze debatten draait het om de mentaliteit van de extremist. VVD’ers vertelden me deze week dat zij Soumaya Sahla interpreteren als iemand die van het ene radicale geloof in het andere is gevallen: eerst moslimextremist, nu extreem critica van moslims.

Een wonderlijk verschijnsel is het wel. Je zou denken dat een persoon die eerder viel voor een extremistische verleiding, heeft geleerd wantrouwen op te brengen voor het eigen extremisme.

Bij Wilders kon je nog wel begrijpen, zoals Edwin Bakker ook zei, dat hij zich bedreigd voelde nu iemand uit een groep die hem eerder wilde vermoorden mogelijk in zijn buurt kon komen. Tegelijk bleef het opmerkelijk dat hij in zijn uitingen over Sahla weigerde aandacht te besteden aan de overtuiging van zijn oude VVD-strijdmakkers dat zij werkelijk gederadicaliseerd is. Je kunt dit betwijfelen, wie zal het zeggen, maar met een kwartiertje googelen vind je talrijke gelegenheden waarop zij een aanslag op een prominente politicus had kunnen plegen.

Alleen: bij Wilders zie je deze houding in vrijwel al zijn debatten: onvermogen het extremisme te zien waarmee hij anderen extremisme verwijt.

Maar het echt ongemakkelijke is dat dit voor deze periode wel eens het verkeerde debat kan blijken te zijn: afgaande op analyses van de diensten, en informatie in de hoogste politieke kringen, is er op dit moment zeker zoveel reden te vrezen voor rechtsextremisme.

Het wil niet zeggen dat het jihadisme geen gevaar meer vormt – dat spreken de diensten nadrukkelijk tegen – maar het illustreert dat een discussie over alleen (eerder) jihadisme eenzijdig en onverstandig is.

Zeker nu het door corona versterkte rechts-extremisme vergelijkbare dilemma’s blootlegt: ook voor die groepen zal spoedig de vraag opkomen of deradicalisering een mogelijke uitweg is.

Maar het ongemakkelijke is dat de grootste partij deze week liet weten: ook als we later geen bewijs hebben dat je deradicalisering is mislukt, moet je niet denken dat we je alle kansen geven.

En stel je dan deze vraag: hoe denken politici dat rechts-extremisten reageren als zij nu al horen dat hun keuzes tussen hun twaalfde en twintigste levensjaar sowieso negatieve gevolgen voor later hebben?