‘We gluurden naar Japanse soldaten in het zwembad’

Over Indië De laatste Nederlandse ooggetuigen vertellen over het leven in de kolonie. Deze week: Frank Tromp de Haas (Soekaboemi, 1930).

Frank Tromp de Haas: ‘Uiteindelijk ging de oorlog voorbij.’
Frank Tromp de Haas: ‘Uiteindelijk ging de oorlog voorbij.’ Foto:Frank Ruiter

‘Aanvankelijk woonde ik met mijn ouders en twee broers op een theeonderneming veertig kilometer boven Soekaboemi in West-Java. Mijn moeder was voordat ze trouwde verpleegster. In het Binnengasthuis in Amsterdam liep ze in 1918 de Spaanse Griep op. Haar vader was Frank van der Goes, medeoprichter van de SDAP en directeur van een verzekeringsbedrijf. Omdat het oudere zusje van mijn moeder was overleden aan tuberculose, stuurden die grootouders van mij haar naar Davos om te kuren. Daar liep zij mijn vader tegen het lijf. Hij heette Willem Pieter en kwam uit een vooraanstaand Nederlands-Indisch geslacht. Tijdens het woeste vrijgezellenbestaan in Sumatra had hij tuberculose opgelopen.

Witte tropenuniforms

Behalve thee produceerde onze plantage ook rubber. Elke vrijdag was het betaaldag, dan zaten de rubbertappers en de theepluksters allemaal op de grond onder een afdak te wachten op hun weekloon dat ze kregen van de heren in hun witte tropenuniforms die achter een tafel zaten. Ik weet nog dat ik als kleuter bij Aiman, onze belangrijkste djongos (huisjongen) op de arm zat. Dan liep hij naar de rand van de helling en maakte blazend op zijn hand apengeluiden. Daar kwamen hele groepen apen op af. Prachtig. Vanaf mijn zesde jaar moest ik naar school in Soekaboemi en toen kwam ik met mijn twee broertjes terecht in een kosthuis in dat stadje. Daar was het erg streng. Maar als het vakantie was, dan kwam mijn moeder ons met de chauffeur halen. Ik herinner me dat ik dan met mijn jongere broertje glijbaantje ging spelen over glibberige paadjes. Als het regende was de klei spekglad. Als we dan thuiskwamen zaten we helemaal onder de modder. Dan moest de baboe tjoetjie, het wasmeisje, alles weer schoonmaken.

Mijn broer is later nog terug geweest op de onderneming. Van het nieuwe huis dat mijn vader daar had laten bouwen was alleen maar een ruïne over. In de buurt was een kuil gegraven omdat de mensen dachten de Nederlanders die er gewoond hadden daar een schat hadden begraven. Tragisch, want mijn moeder had niets meer toen ze begin 1942 in grote haast met ons naar Bandoeng vluchtte omdat de Japanners kwamen.

In het begin van de oorlog raakte ik gewond bij een Japans bombardement. Ik verloor mijn linkerhand en ik raakte aan een oog blind. Ik herinner me daar niet veel van.

Onderdanigheid

Aanvankelijk konden we gewoon nog naar het zwembad. Als de Japanse soldaten kwamen zwemmen, moesten we gauw uit het water. We gluurden dan wel uit onze badhokjes en zagen dan dat de Japanners geen zwembroek aan hadden maar alleen een vierkant stukje textiel voor hun geslacht. Heel Japans vonden we dat. Net als dat groeten. Als je voorbij een wachthuisje kwam, moest je ‘kire’ en ‘nore’ zeggen en buigen. En dat was geen kwestie van onderdanigheid maar gewoon groeten. Alleen begrepen veel Nederlanders dat niet.

Toen ik twaalf werd, moest ik uit het vrouwenkamp bij Bandoeng per trein naar het jongenskamp in Ambarawa. Dat lag honderden kilometers verderop. Ik weet nog dat ik tijdens het ochtendappel mijn stomp in mijn zak hield omdat ik me schaamde. Behalve de Japanse kampcommandant was er een Nederlandse kampleider. Die Nederlander riep dan: „Jongen, haal je hand uit je zak.” En dan haalde ik bevend dat stompje tevoorschijn.

Buigen voor Japanners was geen kwestie van onderdanigheid maar gewoon groeten. Alleen begrepen veel Nederlanders dat niet

Uiteindelijk ging de oorlog voorbij. Het was buiten het kamp gevaarlijk dus wij gingen in een open truck met gewapende agenten naar Semarang, om vandaar door te reizen naar Bandoeng waar mijn moeder zat. Overigens was ook een nonnetje met ons meegegaan in die truck. Zij had er genoeg van, een bloemetjesjurk aangetrokken en ze ging er vandoor.

Vreemde gewaarwording

Mijn moeder besloot met ons naar Nieuw-Zeeland te gaan om op te knappen en dan naar Nederland te emigreren. Die tocht was een hele belevenis. We gingen onderweg aan wal in Brisbane, Australië. Nou, als je dan jaren in een kamp hebt gezeten, is dat wel even wat anders. We gingen er ’s avonds naar de bioscoop. Dat was een enorm vreemde gewaarwording. Ik had bijvoorbeeld nog nooit opklapbare bankjes gezien. En toen in de pauze het licht aanging, leek het plafond wel een hemelgewelf: zoveel lichtjes. Je viel van de ene verbazing in de andere. In Nieuw-Zeeland hebben we nog een tijdje op mijn vader gewacht, maar die kwam niet meer. Die was bij een andere vrouw gaan wonen. We voeren naar Nederland met de Volendam en sliepen in hangmatten in het vooronder. Bij Rotterdam stonden er op een dijk twee boerenjongens met een Nederlandse vlag om ons te verwelkomen. Dat was wel aandoenlijk.’