Opinie

‘Tijdens wandelingen nam mijn vader steeds vaker zijn kijker mee in plaats van mijn moeder’

Gemma Venhuizen

Ik ging naar Workum om de trap te zien. De grote trap, tussen de boerenkool. „Maar waaróm?” vroegen vrienden. „Een trap in een akker? Is het een ladder? Is het kunst?” Een enkeling keek samenzweerderig. „Echt? Een grote trap, in Nederland?” Mijn vader en ik vertrokken richting Friesland. Verrekijkers mee. Klaar om een belofte in te lossen.

Jaren geleden waren we samen in de Spaanse streek Extremadura. Na zijn pensioen had mijn vader zich ontpopt tot vogelaar. Tijdens wandelingen nam hij steeds vaker zijn kijker mee in plaats van mijn moeder. Om zijn nieuwe hobby te begrijpen, was ik meegereisd naar het Spaanse vogelwalhalla.

Daar, in het veld, las ik over de grote trap. Wetenschappelijke naam: Otis tarda. „Enorm groot”, volgens de vogelgids. „Met een gewicht tot zestien kilo is de grote trap een van de zwaarste vliegende vogels ter wereld.” Ik stelde me de trap voor als Pino uit Sesamstraat. Stuntelig en sympathiek.

Die reis werd de grote trap mijn heilige graal. Maar Otis tarda was nergens te bekennen. „Ooit gaan we hem zien”, beloofde mijn vader. Het kwam er niet van. Tot ik vorige week hoorde over een vrouwtjestrap die rond Kerst vanuit Duitsland op een Friese koolakker was neergestreken. Al wekenlang stroomden er meldingen binnen op Waarneming.nl, colonnes vogelaars waren naar Workum getrokken. Nu wij nog.

In de auto naar Friesland kwam de twijfel. Ik schamperde over ‘twitchen’, soortenjagen – voyeurisme. Konden we niet gewoon genoegen nemen met de Tuinvogeltelling, komend weekend? Bovendien: waar moesten we zoeken?

Gras, overal gras. Heel in de verte: één strookje met iets wat kool kon zijn. Dichterbij gekomen zagen we rode kool, spitskool, boerenkool. Bandensporen in de berm. Geen telelens te bekennen. Ook geen trap.

Ik belde aan bij het huis schuin tegenover de akker. Of hier een zeldzame vogel rondliep? De bewoonster knikte. „Die grote gans.” Van vogelaars had ze weinig last. Wel parkeerden ze soms midden op de weg, waardoor de trekker er niet langs kon. „Of ze lopen met hun lenzen zó tussen de kolen door.” Ze verwees me door naar minicamping annex biologische boerderij It Griene Strân. De eigenaar beheerde ook de koolakker.

De boer, Jan Pieter, was edelmoedig jegens zijn ongenode gast. Ze poepte veel, en de boerenkooloogst kon hij vergeten. Maar verder veroorzaakte ze geen overlast. Op drukke dagen vloog de grote trap naar een weiland verderop, haar grijze nek nauwelijks zichtbaar tussen de zwarte nekken van de brandganzen. „En die vogelaars maar turen naar de boerenkool…”

Voor we huiswaarts keerden wierpen we nog één blik op de akker. Bewoog daar iets, tussen de rode kool? Door de verrekijker zag ik een sierlijke grijze nek, als van een jonge struisvogel, en een potig bruin lijf. De onovertroffen trap.

Gemma Venhuizen is biologieredacteur bij NRC en schrijft elke woensdag een column op deze plek.