Een bedrijf dat niet reageert op Milieudefensie staat moreel al op achterstand

Klimaatstrijd Milieudefensie kreeg Shell veroordeeld wegens onvoldoende klimaatambities. Nu vragen ze andere grote vervuilers om ambitieuze plannen. Slim gespeeld, zeggen juristen. Maar bedrijven móéten niks.

Tata Steel IJmuiden is een van de bedrijven die is aangeschreven door Milieudefensie.
Tata Steel IJmuiden is een van de bedrijven die is aangeschreven door Milieudefensie. Foto Olivier Middendorp

Wat nu? Die vraag zullen de bestuurders van 29 grote, in Nederland actieve bedrijven zich allemaal hebben gesteld, toen ze bijna twee weken geleden een brief ontvingen van Milieudefensie. Daarin vraagt de Nederlandse milieuorganisatie om een helder klimaatplan dat voldoet aan het Klimaatakkoord van Parijs (2015) en het Glasgow Climate Pact (2021).

Milieudefensie verwijst in de brief naar het vonnis van de Haagse rechtbank in de zaak die ze had aangespannen tegen Shell. De rechtbank stelde Milieudefensie in mei vorig jaar in het gelijk en oordeelde dat Shell zijn CO2-uitstoot in 2030 moet hebben teruggebracht met 45 procent ten opzichte van 2019. Grote vervuilers hebben een verantwoordelijkheid om gevaarlijke klimaatverandering te voorkomen, schrijft Milieudefensie. „Het vonnis in de rechtszaak tussen Milieudefensie en Royal Dutch Shell bevestigt dat [...] bedrijven een deelverantwoordelijkheid hebben om gevaarlijke klimaatverandering te voorkomen.” Actie is een verplichting, schrijft Milieudefensie „het recht eist dat van u”.

Dat is wel erg „stellig en ongenuanceerd”, vindt Gerrit van der Veen, partner bij advocatenkantoor AKD en bijzonder hoogleraar milieurecht in Groningen. „In het civiel recht moet iedere zaak opnieuw worden beoordeeld. Je kunt dus niet zeggen: wat nu voor Shell geldt, geldt voor alle bedrijven.”

Lodewijk Smeehuijzen, hoogleraar privaatrecht aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, is het daarmee eens. Van zijn hand verschijnt binnenkort een artikel over ‘effectiviteit en legitimiteit’ van het Shell-vonnis in het Nederlands Juristenblad. Daarin schrijft hij dat de rechter „niet buiten de door partijen gestelde feiten kan treden. Dat is problematisch voor een oordeel dat anderen dan alleen die partijen treft.”

Nu is Milieudefensie ook niet van plan 29 rechtszaken te beginnen. De brief is in eerste instantie een uitnodiging om in gesprek te gaan. „Het is niet ons doel noch onze wens juridische geschillen aan te gaan met alle grote vervuilers van Nederland”, schrijft Milieudefensie. Maar als het niet goedschiks kan, moet het maar kwaadschiks. Een gang naar de rechter sluit ze niet uit.

De brief kan dus worden gezien als een eerste stap naar mogelijke rechtszaken. Een noodzakelijke stap, zegt Laura Burgers, universitair docent aan de Universiteit van Amsterdam waar ze in 2020 promoveerde op onderzoek naar de democratische legitimiteit van klimaatrechtszaken. Een organisatie als Milieudefensie mag volgens haar niet „rauwelijks dagvaarden”, zoals het juridisch heet. Dat wil zeggen: zonder waarschuwing vooraf naar de rechter stappen. „Dan zou de rechter Milieudefensie niet ontvankelijk verklaren”, aldus Burgers.

Lees ook de rondgang van NRC bij de bedrijven die Milieudefensie aanschreef: Laat Milieudefensie maar op gesprek komen, zeggen de bedrijven

Het is volgens haar voor alle partijen aantrekkelijker tot een „minnelijke schikking” te komen – wat in de praktijk zou neerkomen op een klimaatplan dat de goedkeuring van Milieudefensie kan wegdragen. „De nederlaag van Shell was mede te danken aan de grondige voorbereiding van Milieudefensie, die jaren heeft gekost en waarin veel informatie over het bedrijf is verzameld.”

De rechtsgang begon in april 2018 met een brief en vervolgens een conceptdagvaarding, en leidde pas ruim drie jaar later tot een uitspraak. Dat kost veel tijd, menskracht en geld.

Hoger beroep

Van der Veen van advocatenkantoor AKD gaat nog een stap verder. Hij noemt de brief „een slimme zet” in afwachting van de uitspraak in hoger beroep in de Shell-zaak. „Het kan goed zijn dat die zaak anders afloopt dan Milieudefensie zou willen. Dan staat de organisatie met lege handen”, zegt hij. „Nu zet je als het ware een parallel spoor uit: kijken hoe ver je komt in overleg, in het op tafel krijgen van plannen, het beoordelen daarvan en het aanspreken op de uitvoering.”

Als Milieudefensie slaagt in die opzet, komen bedrijven volgens Van der Veen, „ ik zeg het wat onaardig – in een fuik van zelfbinding. Misschien komen ze in een positie waaruit ze niet meer terug kunnen, omdat ze zelf dat traject zijn ingeslagen.”

Milieudefensie wijst de bestuurders van de bedrijven erop dat ze een onderneming leiden „die kan en moet bijdragen aan de systeemverandering die noodzakelijk is om gevaarlijke klimaatverandering te voorkomen”. Om die reden zouden de ondernemingen hetzelfde moeten doen als Shell.

De juristen betwijfelen of die redenering klopt. Maar volgens universitair docent Burgers is het Shell-vonnis voor rechters in binnen- en buitenland weliswaar niet juridisch bindend, maar heeft het wel „overtuigingskracht omdat het zal gelden als een kennelijk redelijk oordeel”. Ze verwacht dat in hoger beroep „staande zal blijven dat Shell een klimaatverplichting heeft”. Dat was voor Burgers sowieso de belangrijkste conclusie van het vonnis.

Van der Veen en Smeehuijzen noemen als een van de opmerkelijkste elementen van het Shell-vonnis het grote belang dat wordt gehecht aan ‘soft law‘ bij invulling van de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm die voor Shell geldt. Het gaat daarbij om ongeschreven regels – en dus geen wetten – over wat in een bepaalde zaak maatschappelijk betamelijk is, wat we horen te doen. De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de ‘Guiding Principles’ voor bedrijven van de Verenigde Naties en naar door de universiteit van Oxford geformuleerde richtlijnen voor niet-statelijke actoren.

„De rechter heeft geen beperkingen in acht genomen over de doorwerking van deze soft law”, zegt Smeehuijzen. „De richtlijnen die zijn opgesteld door de universiteit van Oxford zijn één op één overgenomen. De rechter zegt: dit is wat je als Shell hebt te doen. Die exercitie is op zijn zachtst gezegd avontuurlijk.”

„Het vonnis noemt de soft law bindend voor Shell. Je kunt je serieus afvragen of dat wel zo is”, zegt ook Van der Veen. „Maar het is een vonnis, dus zolang een andere rechter er niet iets anders van vindt, is dit geldend recht. Voor Shell, en dus ook voor andere bedrijven.”

Negatieve publiciteit

Wat moeten de 29 bedrijven nu doen?

„Ze moeten niet zoveel”, zegt Van der Veen. „Je kunt bedrijven niet zomaar verplichten tot inzage in hun bedrijfsvoering. Ze hoeven niet in te gaan op het verzoek om te komen met een uitgewerkt klimaatplan. Bedrijven die alleen een briefje sturen met de handtekening van de bestuursvoorzitter en een linkje naar hun website waarop hun klimaatplannen beschreven worden, handelen volgens mij niet onrechtmatig.”

Toch doen de bedrijven er waarschijnlijk goed aan met Milieudefensie om de tafel te gaan. „Een partij die niets wil, staat er moreel meteen slechter voor, ik vermoed ook bij de rechter”, aldus Van der Veen.

Bovendien is procederen ook voor een bedrijf onaantrekkelijk, zegt Burgers. „Het geeft negatieve publiciteit en kan leiden tot langdurige onzekerheid over wat een rechter zal beslissen.”

Lees ook dit verhaal over multinationals na de Shellzaak

Smeehuijzen kan zich niet goed voorstellen dat er een situatie ontstaat waarin de civiele rechter de klimaatproblematiek gaat reguleren, zoals in feite wel in de Shell-zaak is gebeurd. „Dat is, denk ik, niet passend binnen ons systeem. Dit moet gecoördineerd gebeuren door de wetgever. Maar ja, als die het niet doet, kunnen er barstjes ontstaan in hoe we gewend zijn dit te regelen. Ik sluit niet uit dat we meer van dit soort ontregelende vonnissen zullen krijgen.”