Ministerie greep in bij affaire rond bijbaan gedeputeerde Koopmans

Ger Koopmans Het Limburgse provinciebestuur vond niet dat gedeputeerde Ger Koopmans een bijbaan had moeten vermelden. Het ministerie van Binnenlandse Zaken dacht daar anders over.

Kajsa Ollongren, toenmalig minister van Binnenlandse Zaken, wordt in 2018 in Heerlen welkom geheten door Ger Koopmans, toen gedeputeerde.
Kajsa Ollongren, toenmalig minister van Binnenlandse Zaken, wordt in 2018 in Heerlen welkom geheten door Ger Koopmans, toen gedeputeerde. Foto Marcel van Hoorn/ANP

De top van het ministerie van Binnenlandse Zaken heeft in 2020 ingegrepen in de affaire rond de bijbaan van toenmalig Limburgs gedeputeerde Ger Koopmans (CDA). Antwoorden die Gedeputeerden Staten wilden geven op vragen vanuit Provinciale Staten, werden door het ministerie afgekeurd, en vervangen door antwoorden die niet botsten met de visie van het ministerie.

Uit mailverkeer dat het ministerie heeft vrijgegeven blijkt dat provincie en ministerie ruzieden over de verplichting om het adviesbedrijf van Koopmans te vermelden op diens openbare nevenfunctielijst. Het conflict volgde op een publicatie in NRC waaruit bleek dat Koopmans zijn adviesbedrijf niet gemeld had op zijn nevenfunctielijst. Via dat adviesbedrijf ontving Koopmans tot 2017 zijn salaris uit een tweede bijbaan, als commissaris van een baggerbedrijf.

Het ministerie wees erop dat volgens de Provinciewet de gedeputeerde zijn adviesbedrijf openbaar had moeten maken. Koopmans en gouverneur Theo Bovens (CDA) zagen dat anders. Omdat het adviesbedrijf sinds 2017 niet meer actief was, restte enkel een inschrijving bij de Kamer van Koophandel en „een inschrijving op zich is geen nevenfunctie”.

Woensdag komen de resultaten naar buiten van een enquête van Provinciale Staten naar mogelijke belangenverstrengeling van Koopmans met zijn bijbaan bij het baggerbedrijf.

Ollongren bijgepraat

Het ministerie maakte in een e-mail op 31 oktober 2020 aan Bovens duidelijk dat Limburg fout zat. Ook minister Kajsa Ollongren (D66) werd door haar ambtenaren bijgepraat in een e-mail. Daarin staat dat Gedeputeerde Staten (GS), het dagelijks bestuur van de provincie, eerder vragen van Provinciale Staten hadden beantwoord „zonder afstemming te zoeken” met het ministerie. De mail concludeerde dat GS kozen voor „een vrij formalistische benadering waarbij men uit het oog dreigt te verliezen dat het voorkomen van de schijn van belangenverstrengeling minstens zo belangrijk is”.

Bovens en Koopmans zagen zich gesteund door een „analyse” van hun huisadvocaat. Maar ambtenaren van het ministerie lazen in die analyse vooral een doelredenering. Een interne e-mail: „Het lijkt erop dat ze hebben gezocht naar een manier om hun eigen gelijk bevestigd te zien.” De ambtelijke top zag „een wat enge, juridische interpretatie en een nogal defensieve houding, in plaats van in de geest van de wet openheid en transparantie te betrachten”.

Lees ook: Het verzwegen bedrijf van de Limburgse Napoleon

Ministerie grijpt in

Het conflict liep vervolgens hoog op. Een concept-antwoord van GS op nieuwe vragen van Provinciale Staten werd daarna wel eerst naar Den Haag gestuurd. Dit keer greep het ministerie in. Het concept-antwoord, dat begon met de zin „De commissaris van de koning staat nog steeds achter deze eerdere beantwoording” verdween in de prullenmand.

In plaats daarvan kregen Provinciale Staten op 9 december 2020 een antwoord dat gedicteerd was door Den Haag: „Naar is gebleken, is het ministerie van mening dat ook nevenfuncties waarbij geen sprake is van de uitoefening van activiteiten openbaar moeten worden gemaakt. Het ministerie vindt dat niet enkel naar de letter van de wet, maar ook naar de geest van de wet gekeken moet worden. Dan gaat het dus om het voorkomen van de schijn van belangenverstrengeling. Over het belang daarvan, bestaat geen verschil van inzicht.”