Opinie

Een plan voor de AOW kan niet zonder visie op vermogens

AOW-ontkoppeling

Commentaar

Moet de hoogte van de AOW nu wel of niet mee met het minimumloon en de bijstand? Vorige week debatteerden Kamer en kabinet over het plan de minimumlonen in één keer te verhogen met 7,5 procent. Omdat de bijstand daar aan is gekoppeld gaat ook die omhoog. Maar de AOW blijft in het plan waar hij is. De roep om reparatie was luid. Maar zo eenvoudig zal dat niet gaan. Een AOW-verhoging lijkt een offer te vragen van jongere generaties, omdat de kosten ervan in de toekomst relatief hoog oplopen. De hogere staatsschuld die daaruit resulteert is een probleem voor de jonge generaties van nu. En dat terwijl de Covid-maatregelen toch al een offer van hen hebben gevraagd voor de oudere landgenoten die extra tegen het virus moesten worden beschermd. Jongeren moesten, en moeten, machteloos toezien hoe er over hen wordt beslist.

Ook ouderen zijn minder in de positie om over hun eigen lot te beslissen. Extra werken en inkomen genereren kunnen enkelen van hen wel, maar leeftijd en gezondheid laten dat in de meeste gevallen niet toe. Bovendien staan de pensioenen al geruime tijd stil en stijgt het inkomen niet of nauwelijks mee met de inflatie. In de huidige doorrekening van de kabinetsplannen gaan ouderen er in koopkracht op achteruit. Ook zij moeten vaak machteloos toezien hoe er over hen wordt beslist.

Wie onder de motorkap van de oudedagsvoorziening kijkt, ziet een complexe wirwar van slangen, stangen, in hun eigen staart bijtende causaliteiten en communicerende vaten. Een hogere AOW-uitkering, om maar een voorbeeld te noemen, kan resulteren in relatief lagere pensioenen, omdat beide optellen tot het toegezegde pensioenbedrag. Dat gaat straks weer ten koste van de pensioenopbouw van jongeren, hoewel die dan in het heden meer overhouden. Zo zijn er soortgelijke terugkoppelingen en perverse prikkels bij ongeveer elke oplossing die te bedenken valt. En dat nog los van de uitvoering: de Toeslagenaffaire heeft duidelijk gemaakt dat juist daaraan veel meer aandacht moet worden besteed.

Zo kan het wellicht het beste zijn om het kabinet enige tijd te gunnen uit te zoeken op welke, zo eerlijk mogelijke, manier het best aan iedereen kan worden tegemoetgekomen. Dat geeft dan meteen ook de tijd voor een andere opdracht, die hier sterk mee samenhangt. Vorige week werd in de Kamer terecht geconstateerd dat alle partijen die Rutte IV vormen in meer of mindere mate plannen hadden voor het hoger of breder belasten van vermogen, terwijl er in het coalitieakkoord niets over te vinden is.

De vermogensverschillen van nu zijn de inkomensverschillen van straks. Tussen generaties én binnen generaties. Veel van de gevolgen van de maatregelen voor de oudedagsvoorziening manifesteren zich pas in de toekomst en drukken dan op de jonge generaties van nu. Een aanpak van de huidige vermogensongelijkheid – de woningprijzen stegen in december nog met 20 procent – zou zo bezien integraal deel uit moeten maken van een plan voor de betaalbaarheid van een vergrijzende samenleving.

Dat de makers van het coalitieakkoord niet hebben voorzien welke storm het eenmalig ‘ontkoppelen’ van de AOW zou veroorzaken, suggereert een gebrek aan voeling met wat er over dit dossier in de samenleving leeft. Dat er geen plan is voor het terugbrengen van de vermogensongelijkheid illustreert dat eveneens. De maatschappelijke samenhang tussen deze twee is evident. Een oplossing zal beide moeten bevatten.