Opinie

'Types als Ali B denken dat iedereen hen zal geloven'

Ellen Deckwitz

Dit weekend aten mijn zus en ik met onze oudoom Karel (109) beschuit met muisjes omdat hij voor het eerst overgrootvader was geworden. De feestvreugde was echter ver te zoeken. Karel foeterde aan de lopende band over de misstanden bij The Voice. „Het is een bende”, mopperde hij, „en nu zijn er dus allemaal politici die roepen dat #MeToo op de werkvloer moet worden aangekaart, dat er een meldingsplicht moet komen enzo, terwijl ze nog steeds niet de wortel van het probleem willen aanpakken.”

„En dat is?” vroeg ik, verrast dat Karel zich eens over iets anders opwond dan zijn buren.

„Geld!” zei hij. „Dat is nou eenmaal verbonden met macht. We leven in een land waarin vrouwen niet alleen seksueel, maar ook financieel kwetsbaar zijn, en die twee houden verband met elkaar.”

„Maar wat heeft de politiek daar dan mee te maken”, vroeg mijn zus voorzichtig.

„Nou ja”, ging Karel verder, „er wordt vanuit de regering amper actie ondernomen om mannen en vrouwen eens gelijk te gaan betalen. Onze overheid kreeg in 2020 nog door het Europees Comité voor Sociale Rechten op haar kop omdat ze te weinig doet aan de loonkloof hier. En ze mag zich ook weleens extra gaan inzetten om meer vrouwen aan de top te krijgen in het bedrijfsleven.”

Hij schonk zichzelf nog een jenever in en vervolgde: „Betaling en positionering hebben gewoon invloed op hoe we over vrouwen denken, wat voor waarde we hun toekennen, met hoeveel respect we hen bejegenen. Als we daar niets aan doen, blijven er machtsstructuren in stand, waardoor types als die Ali B. denken dat als het erop aankomt, iedereen hem zal geloven en niet zijn slachtoffer, en hij dus gewoon zijn gang kan gaan. Als een vrouw letterlijk niet evenveel verdient als een man, zullen mensen, zowel mannen als vrouwen, geloven dat dat dan ook figuurlijk wel het geval zal zijn. En zo worden haar grenzen minder waard.”

Daar kauwden wij even in stilte op.

„Ik had nooit gedacht dit ooit allemaal uit jouw mond te zullen horen”, zei mijn zus uiteindelijk. „Vroeger riep je altijd dat vrouwenrechtenactivisten zich aanstelden.”

„Je lijkt wel een feminist!” zei ik.

„Nou ja", mompelde Karel, „ik heb me gewoon eens ingelezen.”

Terwijl hij de keuken in sjokte voor nog meer beschuit met muisjes, nam mijn zus het geboortekaartje van de schouw. Ze gniffelde. En de geboorte van de achterkleindochter, zijn eerste vrouwelijke nazaat, zal verder ook helemaal niets met Karels nieuwverworven feminisme te maken hebben gehad.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.