Helena Oldenhof: „De kans dat ze hun gedragsproblemen doorgeven aan hun kinderen is groot.”

Foto Lars van den Brink

Interview

Agressieve meisjes hebben bijna altijd een trauma

Helena Oldenhof en Arne Popma | psycholoog en psychiater Jongens hebben vaker een gedragsstoornis dan meisjes. Maar bij meisjes is zo’n stoornis wel ernstiger. „Een heel zorgelijke groep.”

Pesten, liegen, stelen, vechten, bushokjes slopen, nachtenlang van huis blijven. Kinderen en pubers die dat soort dingen doen en daarin volharden hebben volgens de DSM-5, het handboek voor psychische stoornissen, een conduct disorder, een ‘normoverschrijdend-gedragsstoornis’. Ongeveer 2 procent van de kinderen en pubers in Nederland krijgt die diagnose en omdat het meestal om jongens gaat richt het onderzoek zich al jarenlang vooral op hen.

Helena Oldenhof (35), psycholoog en onderzoeker aan het Amsterdam UMC, is nu gepromoveerd op een onderzoek naar meisjes met deze gedragsstoornis. Een van haar bevindingen is dat meisjes, net als jongens met een gedragsstoornis, een andere lichamelijke reactie op angst en stress hebben dan jongeren zonder gedragsstoornis. In risicovolle situaties maken ze gemiddeld minder van het stresshormoon cortisol aan en blijft hun hartslag lager. Oldenhof werkte voor haar proefschrift samen met onderzoekers in Duitsland, Zwitserland, Spanje, Hongarije, Griekenland en Engeland. Het consortium heet FemNAT-CD en heeft als doel antisociaal gedrag bij meisjes beter te begrijpen. En ze daardoor mogelijk beter te kunnen helpen.

Waarom apart onderzoek naar meisjes met deze stoornis?

Oldenhof, via Zoom (ze zit in quarantaine): „Omdat het een heel zorgelijke groep is. Dit soort gedrag komt bij meisjes minder vaak voor, maar als het voorkomt, dan in een ernstiger vorm, geestelijk, lichamelijk en maatschappelijk. We noemen dat de genderparadox. Het merendeel van de meisjes heeft een trauma, vaak seksueel. Ze komen al jong in aanraking met alcohol en drugs. Ze maken hun school niet af. Ze zijn vaker dan gemiddeld depressief. Ze lopen het risico om slachtoffer te worden van geweld en raken vaak op te jonge leeftijd zwanger. De kans dat ze hun gedragsproblemen doorgeven aan hun kinderen is groot. Alleen al daarom is er alle reden om onderzoek naar ze doen.”

Je ziet dat deze meisjes in de puberteit brutaal worden, boos en opstandig

Waarom gebeurt dat dan nu pas?

Arne Popma, forensisch kinder- en jeugdpsychiater en de promotor van Oldenhof, in hetzelfde Zoom-gesprek: „Ze geven vaak minder directe overlast dan jongens. Ze slopen geen bushokjes. En als ze dat wel doen, kijkt de maatschappij daar anders naar, minder serieus. Die agressie, ach, het zal wel overwaaien. Of: er waren jongens bij en die zullen wel de leiding hebben genomen.”

Meisjes met een gedragsstoornis zijn minder agressief dan jongens?

Oldenhof: „Ze kunnen er flink op losslaan, maar vaak doen ze dingen die niet zo zichtbaar zijn, in de relationele sfeer. Pesten, kleineren, psychische pijn veroorzaken. Een moeder vertelde me dat haar dochter de foto waar ze samen op stonden voor haar neus doormidden scheurde. Wie merkt dat op? Je gaat er niet voor naar de politie. Je ziet dat deze meisjes in de puberteit brutaal worden, boos en opstandig. Ze maken ruzie met leerkrachten en leeftijdgenoten. Ze voelen zich afgewezen en raken steeds verder geïsoleerd.”

En gedragen zich seksueel uitdagend?

„Of ze worden slachtoffer van seksueel geweld. Dat gaat vaak samen.”

Dat jongens met een gedragsstoornis anders op stress en angst reageren zag Popma vijftien jaar geleden al, toen hij erop promoveerde. Hij stelde toen ook vast dat een combinatie van weinig cortisol en veel van het mannelijke geslachtshormoon testosteron in het bloed samenging met openlijke agressie. Dat zou kunnen verklaren, zegt Popma, waarom meisjes met een gedragsstoornis minder openlijke agressie vertonen.

Prikkels uit de omgeving worden anders verwerkt en dat maakt dat ze risico’s ook minder goed kunnen inschatten

Is die andere reactie op stress en angst de oorzaak van de gedragsstoornis? Of het gevolg?

Oldenhof: „Kan allebei.”

Popma: „Grofweg is de helft aanleg en de helft omgeving. Bij kille kinderen is het aangeboren aspect iets groter. Kinderen hebben warmte en aandacht van hun ouders nodig, en als ze die niet krijgen, kunnen ze zich niet goed ontwikkelen. Het is een wonder dat kinderen er dan vaak toch nog goed uitkomen.”

Oldenhof: „Bij jongens en meisjes met een gedragsstoornis zien we dus dat de systemen op neurobiologisch niveau anders staan afgesteld. Prikkels uit de omgeving worden daardoor anders verwerkt en dat maakt dat ze risico’s ook minder goed kunnen inschatten en ze sneller in de problemen komen. Bij meisjes moeten er veel risicofactoren bijkomen voor ze een gedragsstoornis gaan ontwikkelen. Onveiligheid, huiselijk geweld, problemen op school door te weinig concentratie.”

Kan die afwijkende reactie op stress en angst ook afstomping zijn?

Oldenhof: „Ja, dat kan. Door te veel narigheid in de jeugd kan de biologie ontregeld raken.”

Bij meisjes met een gedragsstoornis zag je een versnelde ademhaling.

„Dat was wel een bijzondere bevinding, ja. We weten nog niet zo goed hoe we dat moeten interpreteren. We zien die verhoogde ademhaling ook bij meisjes met angst- en stressklachten, maar zonder gedragsstoornis. Ik heb het in mijn onderzoek benoemd omdat het aangrijpingspunten geeft voor behandeling. De ademhaling door oefeningen aanpassen vermindert de stress.”

Je moet lang bij ze blijven en ze op verschillende gebieden ondersteunen, ook praktisch

Wat kunnen jullie verder doen voor meisjes met zulke problemen?

„Eerst goed naar de symptomen kijken en niet te veel in hokjes denken. Het gaat bijna altijd om een kluwen van klachten en die moet je ontrafelen. Als de agressie bij een meisje wordt getriggerd door een trauma, kun je een traumabehandeling inzetten, bijvoorbeeld EMDR of schrijftherapie. Vaak zie je de agressie dan al verminderen. Ik onderzocht een meisje dat zei: ik kijk best vaak achterom en ik hou er niet van als iemand” – ze heft haar arm – „achter mijn rug zulke bewegingen maakt. In de gesprekskamer zat ze het liefst tegen de muur. Je helpt haar door met haar uit te zoeken waar dat vandaan komt.”

Een op de drie jongens met een gedragsstoornis wordt een crimineel. Hoe is dat bij meisjes?

„Met veel meisjes gaat het helaas niet goed. Maar hoeveel, dat durf ik niet te zeggen. Dat is nog niet onderzocht.”

Wat is ‘niet goed’?

„Prostitutie, financiële problemen, geen dagbesteding, geen veilige relatie, verslaving. We moeten ons afvragen of de zorg die we bieden wel toereikend is. Een halfjaar behandelen en dan zitten ze weer op de rit – nee. Je moet lang bij ze blijven en ze op verschillende gebieden ondersteunen, ook praktisch. Niet opgeven als ze weer eens uit hun plaat gaan. Er was een meisje met wie ik een plan had bedacht – ze zou naar een andere plek gaan – en op de dag dat ik haar zou ophalen zat ze bij de politie. O, denk je dan. Maar in het gesprek met haar daarna kon ze goed reflecteren op wat er gebeurd was en waarom. En dan denk ik: we zijn wel iets aan het bereiken.”