Opinie

Percentages als aas

Floor Rusman

Er werd weer veel objectief vastgesteld, de afgelopen week. Wie de bewoners van het Achterhuis verraadde: dat weten we nu 85 tot 87 procent zeker, aldus een forensisch statisticus. Dat corona wél leidt tot meer zelfdodingen: onder jongeren stegen die het afgelopen jaar met 15 procent. En natuurlijk dat 2G niet goed werkt met de Omikronvariant. Het kan het reproductiegetal met 9,8 procent verlagen, maar bij een hoog reproductiegetal is dat te weinig.

Dingen bestaan als ze kwantificeerbaar zijn: percentages wekken vertrouwen. Ze zijn dan ook vaak het eindpunt van de discussie, niet het begin. Dat zie je normaal gesproken al tijdens begrotings- en verkiezingsdebatten, waarvoor politici ijverig de relevante koopkrachtpercentages uit hun hoofd leren. Die brengen ze dan naar voren als een stuk op een schaakbord: de koopkracht daalt bij u met x procent! Páts, schaak!

Corona heeft de heerschappij van de statistiek nog verder versterkt. Zelfs de grootste alfa verdiept zich tegenwoordig in grafieken en tabellen: zonder kennis van de laatste percentages tel je niet mee in het coronadebat. Mijn favoriete essayist Justin E.H. Smith, die ik al vaker aanhaalde, beklaagde zich hier afgelopen najaar over in zijn essay Covid Is Boring. Waarom, vroeg hij zich af, delen alle intellectuelen tegenwoordig statistieken over nieuwe varianten en de effectiviteit van mondkapjes? Hoe kan dat doorgaan voor een interessant debat?

Aanvankelijk dacht ik: saai? Hoe kun je corona nou saai noemen? Zelf was ik ook fanatiek in de schaduwwereld van grafieken en statistieken afgedaald. Percentages zijn als aas: ze trekken de aandacht en je hapt ernaar, hongerig naar kennis.

Maar percentages verklaren vaak minder dan ze beloven. Ze zijn discutabel, arbitrair of gewoon niet zo veelzeggend, en zelfs in het beste geval belichten ze maar een deel van de werkelijkheid. Die ‘85 tot 87 procent’ is weinig behulpzaam zo lang we niet weten hoe de forensisch statisticus bij dit merkwaardig specifieke getal is gekomen. 15 procent meer zelfdodingen is geen spectaculaire stijging, zeker niet als het gaat om zulke kleine aantallen: driehonderd in 2021. (En los daarvan: het lijkt zo net alsof zelfdodingen pas problematisch zijn als ze in aantal toenemen.)

Ook de coronapercentages hebben hun mankementen. Zoals Jaap van Dissel zei bij de technische briefing deze donderdag: „Een model is maar zo goed als de aannames.” En die aannames zijn onzeker. Dat geldt ook voor het nieuwe model over 2G, dat aanneemt dat mensen nu de helft van het normale aantal contacten hebben, en dat dat bij de opening van de samenleving toeneemt met 17 procent. Ook belangrijk: de 9,8 procent verlaging van het reproductiegetal gaat uit van een „optimale situatie” waarin ongevaccineerden hun heil niet ergens anders zoeken – onrealistisch, volgens de onderzoekers.

Over al die percentages kun je interessante discussies voeren. Ik denk zelfs dat het iets verslavends heeft, dat gehap ernaar. Je voelt je een echte speurneus, iemand die stukje bij beetje de waarheid blootlegt. Toch zijn die percentages vaak ook beside the point. Dat 2G-rapport kun je samenvatten als: het helpt mogelijk een heel klein beetje, maar er zijn ook nadelen. Die afweging is vervolgens mensenwerk. Zoals politiek filosoof Josette Daemen afgelopen december schreef in Socialisme en Democratie: we moeten niet denken „dat cijfertjes, metertjes en grafiekjes in staat zijn om ons te vertellen wat we moeten doen.”

Toch hadden de Kamerleden voor het coronadebat deze donderdag weer alle cijfers uit hun hoofd geleerd. 25 procent van de jongeren heeft psychische klachten (Fleur Agema), of 51 procent van de studenten (Caroline van der Plas). 2G zorgt voor een reductie van 0,7 procent ten opzichte van 3G (Lisa Westerveld). Rutte had „20 tot 25 procent contactreductie” beloofd bij de avondlockdown (weer Agema); was die bereikt? Rutte: „Volgens mij is dat zo, maar we gaan dat even heel precies uitzoeken.” De invoering van 1G-beleid kan leiden tot „een 50 procent afname van bezoek aan allerlei faculteiten”, aldus minister Kuipers, waarop Tunahan Kuzu corrigeerde: „Het is 44,9 procent om precies te zijn.”

Het is toch eigenlijk mensonterend, dacht ik, om die Kamerleden almaar discussies over statistiek te laten voeren. Ze verdienen beter. En wij, de kijkers/kiezers, net zo goed.

Floor Rusman (f.rusman@nrc.nl) is redacteur van NRC