Graag normeert de Kamer anderen. Maar zichzelf normeren? Wel lastig

Deze week: normverwarring in de Kamer, kraslotendemocratie, vijandigheid als verdienmodel, de verdwijning van het idealisme uit Den Haag. Ofwel: hoe vijftien jaar ressentiment het idee heeft vervormd van wat politiek is.

Normen stellen aan de maatschappij is geliefd bij de meeste politici, en dat komt goed uit: het is hun werk. Maar soms probeert de Kamer ook normen aan zichzelf te stellen, en dat is andere koek.

Zo was het parlement vorig jaar ontevreden over het eigen functioneren, en half december kwam een werkgroep geleid door nestor Kees van der Staaij (SGP) met adviezen om de kwaliteit van het Kamerwerk te verbeteren.

Eén van de problemen is dat het parlement voortdurend te veel politiek produceert: wekelijks is de Kamer uren kwijt aan stemmingen over honderden moties. Geen mens kan dit nog bijhouden.

Het gevolg: ook de Kamer zelf heeft zelden nog paraat welke moties ze eigenlijk aangenomen heeft. Vandaar dat de werkgroep hun moties drastisch wil inperken en als „uitgangspunt” adviseerde „dat een of twee moties per fractie [per debat] voldoende moet zijn”.

Dit rapport was deze week net een maand oud - en in het debat over de regeringsverklaring bleek dat de helft van de deelnemende fracties zich niet aan het advies van de eigen werkgroep hield.

Dat de PVV met acht moties het meest afweek was, is geen verrassing – die partij respecteert sowieso alleen de eigen normen. Maar dat ook SP en BBB (beide zes moties) en D66 (drie) het advies negeerden, was wel bijzonder: deze fracties zaten nota bene zelf in de werkgroep.

Dus Kamerleden mogen dan voortdurend anderen normeren – het wil niet zeggen dat zij zichzelf ook laten normeren.

Het paste in een week waarin dezelfde Kamer zich geen raad wist met de xenofobe kwaadsprekerij van de PVV en de complottenkermis van FVD.

Een minderheid was tegen de normering van de twee die de meerderheid eiste. De zwalkende voorzitter kwam er niet uit: dinsdag mocht de PVV alles, donderdag mocht FVD minder. Het eindigde donderdagavond in gescheld tussen Kamerleden op de vloer van de nationale vergaderzaal.

Tot zover de voorbeeldfunctie van Den Haag. Je dacht: later zullen mensen smalen dat de maatschappij in 2022 vergeefs probeerde de Kamer het goede voorbeeld te geven.

Evengoed speelt hier een fundamenteler vraagstuk. Al vijftien jaar is het praktijk dat beeldbepalende debatten worden gedomineerd door PVV-ressentiment, en wat vaak vergeten wordt: dit heeft ook het idee vervormd van wat politiek is.

Je ziet het als zaken verbeteren. Deze week had je wel een paar voorbeelden (neem The Lancet die het einde van de pandemie ziet naderen), maar ook daarna keerden doem en teleurstelling terug in de Kamerdebatten.

Idealen, hoop, verwachting, vooruitgangsgeloof: ze zijn allemaal in de marge van de landspolitiek beland.

Chagrijn over anderen, en het verlangen hun verkeerde gedrag en levenskeuzes te normeren, is een centrale ambitie geworden. Bij de PVV is dat het verlies van, zoals de voorman zegt, „mijn mooie Nederland” vermengd met de angst voor de bedreigingen die hij krijgt.

Lees ook: Kabinet-Rutte IV begint in sfeer van ongeduld en heel veel ongemak

En talrijke partijen hebben dit format al dan niet bewust overgenomen: verheerlijking van de eigen kiezersgroep die mede drijft op weerzin tegen opponenten.

De PvdD wil de planeet en de dieren redden, en vindt in de landbouwsector de ideale vijand. BBB steunt het platteland en de landbouw, en keert zich tegen natuurbeschermers en dierenactivisten.

PVV, FVD en JA21 komen op voor traditioneel Nederland, en wensen nieuwe Nederlanders en migranten te normeren dan wel af te wijzen. Denk, BIJ1 en Volt komen op voor nieuwe Nederlanders, en keren zich tegen xenofobe tradities in maatschappij en politiek. Etc.

Zo kun je de politieke kaart van Nederland hertekenen in groepjes partijen die kunnen (voort)bestaan omdat ze tegenover elkaar staan. Schema’s van mini-polarisatie, die zich minder voordoet tussen brede blokken (‘links tegen rechts’), maar heftiger tussen relatief kleine groepen.

Het verklaart ook dat traditionele middenpartijen (PvdA, CDA) electoraal afbrokkelen dan wel gedeeltelijk overlappen (VVD, D66, GroenLinks) met kiezers van nieuwe partijen.

Ook het verzet tegen identiteit als politiek organisatiemechanisme is hierdoor tanende. Door de verzuiling heeft dit altijd bestaan, maar wel vermengd met broederschap als ideaal. De huidige identiteitspolitiek, progressief of conservatief, is electoraal vooral effectief omdat ze particuliere keuzes over kwesties als Zwarte Piet of veganisme durft te individualiseren en agenderen.

Alleen: over identiteit is het moeilijker compromissen sluiten dan, laten we zeggen, rekening rijden. Dus identiteit vergroot ook eerder gevoelens van politiek gemotiveerde vijandigheid, en daarmee het gevaar van bedreigingen.

En als bedreigingen epidemische vormen aannemen, zoals momenteel, mede gevoed door de coronacrisis, is de uiterste consequentie dat de beladen momenten van Kamerdebatten over politici zelf gaan. Over wie wordt bedreigd, waarom dan, en uit welke hoek.

Met het debat over de regeringsverklaring is Den Haag daar deze week beland. De PVV-leider voelt zich bedreigd, de minister van Financiën ook, talrijke Kamerleden, de minister van Justitie en Veiligheid, ga maar door. Zodat de beeldvorming over het debat dinsdag veel weg had van bedreigde politici die zich als symbolen van een wankelend stelsel niet langer weten te beheersen.

Het paradoxale is: alarmisme is dan vaak een uitweg om thema’s te agenderen. Van der Staaij wees er dinsdag op „dat er steeds sneller over ‘crisis’ wordt gesproken’’, we hebben de „coronacrisis, klimaatcrisis, asielcrisis, wooncrisis en stikstofcrisis”. Pas dan voelen politici ruimte voor ingrijpen.

Hoe ironisch: om zaken te verbeteren helpt alleen nog de overtreffende trap van de negativiteit.

Dus het lijkt elementair dat partijen nieuwe manieren vinden om weer vooruitgangsgeloof uit te dragen.

Lees ook: De miljarden zijn voor Rutte IV óók een vloek

Niet om dubieus opereren van de overheid (Groningen!) te vergoelijken. Wel om af te komen van het idee dat politiek meer is dan heerszucht over anderen.

Het vraagt primair dat ‘Den Haag’ PVV en FVD op hun wanprestaties blijft wijzen. Toen deze week het enige PVV-lid van het Europees parlement (EP) overstapte naar FVD, nadat Baudet eerder vier EP-leden aan andere partijen kwijtraakte, betekende dit dat alle vijf EP-leden die in 2019 voor PVV en FVD werden gekozen, nu een andere partij dienen. Ergo: de twee die in Den Haag voortdurend klagen over het lage democratische gehalte, blijken er zelf een kraslotendemocratie op na te houden.

Het vereist ook dat de Kamer iets doet aan de verbale vrijheid waarmee de PVV de normen al vijftien jaar mag oprekken. De enige uitweg na de chaos deze week is dat de Kamer of haar voorzitter de eigen normen publiekelijk aanpast - en ze daarna, voor de verandering, ook naleeft.

Maar het voornaamste lijkt toch dat de politiek na al die jaren inziet dat ze niet langer alléén onbehagen van mensen hoeft uit te dragen. Dat politiek ook een verlangen naar optimisme kan zijn - naar het betere, het hogere. Naar het idee dat er echt meer betaalbare woningen komen, dat het zin heeft bij te dragen aan klimaatverbetering, dat een einde van de pandemie mogelijk is.

En vooral: dat de permanente expositie van vijandbeelden alleen politici helpt die willen opruien. Terwijl broederschap voor mensen een doodnormaal verlangen is, net als redelijkheid, waardoor trouwens ook het stellen van normen door politici vlotter geaccepteerd zou worden.