Recensie

Recensie Boeken

Waarom moest Hugo de Groot ook alweer in een boekenkist ontsnappen?

Hugo de Groot Uit zijn traktaten zou blijken dat deze 17de-eeuwse jurist van wereldklasse katholiek wilde worden. Zijn biograaf meent echter dat het anders zit.

Hugo de Groot, in 1631 geschilderd door Michiel Jansz. van Mierevelt (1566-1641).
Hugo de Groot, in 1631 geschilderd door Michiel Jansz. van Mierevelt (1566-1641). Illustratie Collectie Prinsenhof Delft

Hugo de Groot was omstreeks 1600 het bewijs dat Holland op eigen kracht tot wonderbaarlijke dingen kon komen. Hij was op dat moment zeventien jaar oud, schreef gedichten in het Latijn, en daarnaast aan één stuk door beschouwingen over de meest uiteenlopende geleerde onderwerpen. Nog geen twintig jaar later was De Groot (1583-1645) het bewijs dat Holland op een akelige manier volwassen werd. Hij werd medeverantwoordelijk gehouden voor het liberale godsdienstige bewind van Johan van Oldenbarnevelt. Diens hoofd rolde in mei 1619; Hugo de Groot kreeg te horen dat hij voor de rest van zijn leven gevangen zou zitten in de onneembare staatsgevangenis Slot Loevestein.

In 1621 werd De Groot het bewijs dat opkomende wereldmachten altijd hun eigen mythes van hoop en vrees creëren: hij ontsnapte in een boekenkist waarmee zijn dagelijkse lectuur in en uit zijn cel werd gedragen. Het verhaal is onverwoestbaar, en zeer geschikt om aan schoolkinderen de haperingen in de Nederlandse tolerantie uit te leggen. Het was ook aanleiding om in 2021 tot een ‘Hugo de Grootjaar’ uit te roepen, met onder andere een tentoonstelling op Slot Loevestein.

Een verrassing was het verschijnen van een nieuwe biografie, Geen vredestichter is zonder tegensprekers, door Henk Nellen. De verrassing zit in het simpele gegeven dat Nellen betrekkelijk kort geleden, in 2007, al een ruim twee keer zo omvangrijke biografie van De Groot publiceerde. Nellen geeft zelf aan dat zijn nieuwe boek geen ‘ingedikte replica’ is van zijn eerdere, veelgeprezen, levensbeschrijving. Wat is het dan wel? De voornaamste levensfeiten worden opnieuw uiteengezet, maar steeds duikt Nellen de diepte in. Onderwerpen die in de grote biografie slechts aangestipt werden, krijgen hier alsnog een uitgebreide behandeling, zoals De Groots nogal complexe verdraagzame visie op Joodse immigranten, die minder principieel was dan wel is aangenomen, en vooral steunt op het idee dat Joden op termijn tot het protestantisme te bekeren moesten zijn. Ook gaat Nellen nog eens uitgebreid in op De Groots vermeende hang naar het katholicisme.

Theologische vete

De biografie uit 2007 blinkt onder andere uit in een heel precieze reconstructie van de beruchte Bestandtwisten tussen Arminianen en Gomaristen, en hoe deze theologische vete ook de landelijke politiek in vuur en vlam zette. In de nieuwe biografie slijpt Nellen het verhaal over de Bestandstwisten verder fijn. Het waren jaren waarin beide partijen radicaliseerden en elkaar buiten gevecht probeerden te stellen. De partij van landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt deed een groot beroep op de juridische kwaliteiten van De Groot, die in pamfletten en redevoeringen niet alleen onderlinge verdraagzaamheid predikte, maar ook het remonstrantse standpunt steeds nadrukkelijker als orthodox probeerde te verkopen. Het was een riskante strategie voor de minderheidspartij. In 1618 viel het doek voor Van Oldenbarnevelt en de zijnen, onder wie Hugo de Groot. Het showproces dat volgde, was een martelgang voor de jurist. Hij raakte in paniek, zijn juristenvernuft liet hem in de steek. Hij vertelde zijn ondervragers meer dan nodig was en bracht Van Oldenbarnevelt extra in de problemen.

Toen de landsavocaat op 12 mei 1619 in alle vroegte het doodsvonnis tegen zich hoorde uitspreken, was De Groot, die gevangen werd gehouden in een naastgelegen kamer, er woordelijk getuige van. Deze gebeurtenissen zouden, zo stelt Nellen in Geen vredestichter is zonder tegensprekers, De Groot voor het leven tekenen, of zelfs traumatiseren. De Groot kwam weg met gevangenisstraf, wist daaruit te ontsnappen en vond een heenkomen in Frankrijk, waar hij niet alleen aanzien genoot als jurist van wereldfaam, maar vanaf 1635 ook als ambassadeur van Zweden.

In Parijs genoot hij een goed leven, en toch heelden de wonden van zijn val maar heel langzaam. Veel oude vriendschappen, zoals met Daniel Heinsius en Constantijn Huygens waren bekoeld of omgeslagen in heftige ruzie. Ook een oude studievriend als Cornelis Pijnacker, inmiddels als diplomaat werkzaam, werd tijdens een bezoek aan De Groot in Parijs koel ontvangen, en liep aan tegen het wantrouwen van de balling dat zich steeds meer tot neerslachtigheid of zelfs paranoia ontwikkelde. Zelfs goede vrienden verdacht De Groot ervan hem te bespionneren.

Kardinaal Richelieu

Het uitoefenen van zijn eervolle ambassadeurschap voor Zweden viel De Groot steeds zwaarder. Als vertegenwoordiger van een bescheiden natie kreeg hij weinig voor elkaar. Hij voelde zich vaak gekleineerd, vooral door de grote Franse staatsman kardinaal Richelieu. De Groot ontwikkelde hevige anti-Franse sentimenten, uitte zich ook zo in brieven, waarvan de inhoud vaak al snel in Franse kringen bekend werd. Het was de heetgebakerde en ontactvolle kant van De Groot die hem steeds opnieuw in problemen bracht.

De Groot trok zich meer en meer terug in zijn studeerkamer. Zijn roem als geleerde nam alleen maar toe. Internationale bezoekers van Parijs die hoopten even bij hem op bezoek te kunnen komen, of anders een paar woorden te mogen wisselen, werden vaak afgepoeierd. Het was bot, maar ook pure noodzaak om tijd over te houden voor zijn wetenschappelijke projecten. Bij het nageslacht zijn De Groots beschouwingen over het oorlogsrecht (De iure belli ac pacis, 1625) en zeerecht (Mare liberum, 1609) nog altijd het meest aansprekend. Nellen maakt aannemelijk dat De Groots grootste ambities lagen op het terrein van de theologie en de kerkorganisatie.

De Groot meende dat de protestantse afsplitsingen van de katholieke kerk uiteindelijk het christendom als geheel ondergroeven en tot onnodige oorlogen en slachtoffers leidden. Hij bepleitte een radicale terugkeer naar de eenvoud van het vroege christendom. Eenvoud die bepleit werd in uitvoerige bijbelcommentaren en theologische traktaten, dat weer wel. De Groot laadde met zijn herhaalde pleidooien de verdenking op zich dat hij katholiek wilde worden. Die geruchten verspreidden zich door heel Europa. Nog altijd zijn er De Groot-kenners die menen dat de definitieve toetreding een kwestie van tijd was. Nellen houdt het erop dat De Groot heel goede redenen had om zich niet bij de kerk van Rome aan te sluiten: juist een aantal boeken die hem wereldberoemd hadden gemaakt, zoals De iure en Mare liberum stonden op de Index van verboden boeken. Deze grensverleggende traktaten alsnog in conservatief-katholieke zin herschrijven, zou voor de eigenzinnige jurist een veel te groot offer geweest zijn. Ik vermoed dat Henk Nellen gelijk heeft.