Recensie

Recensie Boeken

Verplicht vlinders vangen in een concentratiekamp in de oerwouden van Nieuw-Guinea

Koloniale geschiedenis De Leidse historica ontdekte een bizarre gebeurtenis uit de koloniale geschiedenis en schreef er een intrigerend boek over.

Het concentratiekamp Boven- Digoel in NIeuw-Guinea
Het concentratiekamp Boven- Digoel in NIeuw-Guinea Illustratie uit deel 11a van het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog van dr. L. de Jong.

Een van de zwartste bladzijden uit de geschiedenis van Nederland in de twintigste eeuw blijkt een bizar rafelrandje te hebben. De bladzijde betreft Boven-Digoel, het concentratiekamp in de oerwouden van Nieuw-Guinea waar in de jaren twintig en dertig tegenstanders van het koloniale regime werden opgeborgen. Het rafelrandje gaat over vlinders. Alicia Schrikker, hoofddocent algemene geschiedenis in Leiden, kwam ze bij toeval op het spoor en schrijft erover in De vlinders van Boven-Digoel.

In het kamp moesten de gevangenen, onder wie de prominente nationalisten Mohammed Hatta en Soetan Sjahrir, werken. De gedachte was dat ze hun antikoloniale politieke overtuigingen dan zouden laten varen. Een deel van hen moest vlinders vangen. Het idee om gevangen daarvoor in te zetten was duizenden kilometers verderop ontstaan. Een van de beroemdste vlinderverzamelaars in die tijd was de Fransman Eugène Le Moult. Hij groeide op in Frans-Guyana, waar zijn vader opzichter was in een strafkolonie. ‘Als kind al ontwikkelde Le Moult een passie voor vlinders’, schrijft Schrikker. ‘Hij wist zijn vader te overtuigen dat ze gevangenen vlinders konden laten vangen.’ Het bracht Emile van Delden, rechter-commissaris in Soerabaja en ook een fervent vlinderverzamelaar, op een idee.

Onderzoeksverslag

Schrikker kwam het verhaal over de vlinders op het spoor door een ‘los zinnetje’ in een onderzoeksverslag. In 1931 moest de bestuurder van het kamp in Boven-Digoel zich verantwoorden voor zijn gebrekkige financiële administratie. Een commissie constateerde onder meer dat ‘een bedrag ad ƒ 121,-’ aan geïnterneerden was betaald voor het vangen van vlinders. Het zijn steeds dit soort flarden die de aanleiding vormen voor de twaalf verhalen in De vlinders van Boven-Digoel: ‘een terloopse zin in een rechtbankverslag, een woord in een brief of een veelzeggende foto’.

De afgelopen jaren is er sprake van een gestage stroom aan boeken over Indië. Vaak gaat het dan om de politieke kant van die geschiedenis of over één familie. De vlinders van Boven-Digoel valt op in die boekenstroom omdat de verhalen, zoals Alicia Schrikker schrijft, inzicht bieden ‘in de dagelijkse realiteit van het Nederlandse kolonialisme in Indonesië, van de achttiende tot en met de twintigste eeuw’.

Wie wil schrijven over het dagelijks leven in een kolonie moet creatief zijn – bronnen zijn schaars. Suze Zijlstra, die in het onlangs verschenen De Voormoeders haar familiegeschiedenis vertelt, doet dat bijvoorbeeld door de keuken in te gaan en te koken volgens oude recepten. Als Alicia Schrikker probeert uit te zoeken wat een natuurramp in 1856 teweeg heeft gebracht op het eiland Sangihe Besar, tussen Sulawesi en de Filippijnen, klimt ze een vulkaan op en gaat ze praten met dorpsbewoners. Ze laat het districtshoofd een archiefstuk zien en brengt daarmee bij hem een ‘historische sensatie’ te weeg: meteen herkent hij de handtekening van een directe voorouder. Ter plekke ontdekt Schrikker hoe herinneringen aan opeenvolgende vulkaanuitbarstingen met elkaar verweven zijn geraakt.

‘Arme Indokringen’

Verschillende verhalen laten zien wat een racistische samenleving het koloniale Indië was. Aan de hand van brieven van Josephine Thueré, een moeder op Zuid-Kalimantan, rond 1900 aan haar dochter in Nederland, biedt Schrikker een blik op de oude schoolklas van het meisje in Indië. Het zijn meisjes uit ‘arme Indokringen’, kinderen van gemengde afkomst. Hoewel het in de brieven zelden over kleur en afkomst gaat, doen die er wel degelijk toe. Zoals voor Doortje, een Chinees meisje, dat werd geadopteerd door Europese ouders. Nadat haar pleegmoeder is overleden laat haar pleegvader haar op haar zestiende in de steek. De ‘Chinese afkomst van Doortje vormde blijkbaar een onoverkomelijk probleem voor haar vader, een hooggeplaatste ambtenaar’. Een goed huwelijk zat er voor Doortje daarna niet meer in. Josephine schrijft ook over haar neefje Albert, die het goed doet op school, ‘maar hij is erg zwart’, anders dan zijn halfbroertje. Daar heeft hij wel pech mee, bedoelt ze.

Kleur doet er ook toe in het verhaal over Steven en Januari. Steven is dertien als hij in 1767 op een VOC-schip naar Indië vertrekt. Hij was geen uitzondering: het aandeel van kinderen op VOC-schepen was in de achttiende eeuw rond de veertien procent. Schrikker kwam Steven tegen in een rechtbankverslag. Twee jaar later wordt hij in de haven van Ambon op een ander VOC-schip met ontbloot lichaam betrapt met Januari, een slaafgemaakt jongetje dat 11, 12 jaar oud moet zijn geweest. Het resulteert in een proces wegens sodomie. Uit de afloop van dit verhaal blijkt ook hoezeer kleur ertoe deed.