Opinie

Koopkrachtverlies? Het wordt nóg erger

Maarten Schinkel

Je kon het van mijlenver zien aankomen, maar toch was het deze week een schok in Den Haag. Het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) voorspelt dat het gemiddelde Nederlandse huishouden er dit jaar met 40 euro per maand op achteruitgaat. En voor sommige gezinnen kunnen de kosten zelfs oplopen tot 100 euro per maand of meer.

Zulk koopkrachtverlies zat er dik in. En, zoals de oppositie het prille Rutte IV onder de neus wreef, als er zoveel extra miljarden worden uitgegeven door het kabinet, dan moet er toch wel wat af kunnen om de schade voor huishoudens te beperken.

Wat nu? Het is moeilijk te begrijpen dat de opstellers van het coalitieakkoord dit allemaal over het hoofd hebben gezien. Al in november was duidelijk dat de inflatie in 2022 hoger zou uitpakken dan de prognose van het Centraal Planbureau ten tijde van Prinsjesdag. En in de weken daarna bleven de inflatieprognoses maar stijgen.

Het Nibud pakt de meest recente voorspelling van De Nederlandsche Bank – een inflatie van gemiddeld 3 procent in 2022 – nu als referentiepunt voor zijn koopkrachtvoorspelling. Maar, belangrijk, het zegt er bij dat de inflatie ook hoger kan uitvallen.

Dat laatste is geen loos alarm. Veel risico’s voor en hogere inflatie zijn de afgelopen tijd fors toegenomen. Deze week steeg de prijs van ruwe olie naar 88 dollar per vat, het hoogste peil in zeven jaar. Het vooruitzicht van een conflict in Oekraïne kan de gasprijzen langer hoger houden dan gedacht. Energie is, in huis, op de weg, in het bedrijfsleven en transport, in eerste instantie de grootste aanjager van inflatie.

Dan zijn er de stokkende productieketens en aanvoerlijnen in de wereld. China, ook in harde dollars nu de grootste exporteur ter wereld, voert tegen de klippen op een ‘zero-Covidbeleid’, en havens en steden gaan om de haverklap dicht. Dat veroorzaakt uitval, oponthoud en schaarste – een van de grote aanjagers van prijsstijgingen vorig jaar. Bedrijven kunnen er korte tijd voor kiezen hun hogere kosten voor eigen rekening te nemen, maar uiteindelijk gaan ze die doorberekenen aan de consument. Dat is in het Verenigd Koninkrijk al in volle gang. De kerninflatie, dus zonder energie en voeding, is daar inmiddels opgelopen tot 4,2 procent.

Derde dreiging – iets speculatiever – zit in de enorme monetaire stimulering die nog steeds plaatsvindt. De reële rente, dat is de rente gecorrigeerd voor inflatie, is nu in de VS -7 procent, en in de eurozone bijna -6 procent. Dat is absurd. Het jaagt de economie nog verder aan, en verhoogt daarmee ook de inflatiedruk.

De VS gaan daar veel sneller iets aan doen dan de eurozone dat doet – nou ja: iets minder extreem traag. Van de Amerikaanse centrale bank wordt nu verwacht dat die vanaf maart de rente verhoogt met in totaal 1 procentpunt in 2022. De Europese Centrale Bank begint daar in het najaar pas mee. Dat kan, dreiging nummer vier, doorklinken in de wisselkoers, met een aantrekkende dollar. En dat maakt importeren voor Europa weer duurder – hoewel wisselkoersprognoses notoir wankel zijn.

Naar verwachting zal de inflatie dit jaar wel wat dalen. De jaar-op-jaarvergelijking met 2022, met zijn exploderende energieprijzen, wordt gunstiger naarmate het jaar vordert. Maar het aantal factoren dat zorgt voor een meer hardnekkige en bredere inflatiedruk neemt intussen toe. Het wordt zo langzamerhand een wonder als het bij die voorspelde 3 procent blijft. Ironisch genoeg zou het toestaan van een sterk dalende koopkracht juist dempend gaan werken, omdat de vraag naar goederen en diensten dan iets minder wordt. Maar, nog afgezien van de vraag hoe eerlijk dat is: dat station lijkt deze week sowieso politiek gepasseerd.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.