Reportage

In Rotterdam weten ze hoe je kansenongelijkheid bestrijdt: met taalles op de basisschool

(On)gelijkheid in het land van Rutte IV Op basisschool de Catamaran in Rotterdam-Lombardijen zitten leerlingen van 56 nationaliteiten. Onderwijs geven begint hier met het leren van de Nederlandse taal.
Op de Rotterdamse basisschool de Catamaran is het leren van Nederlands het belangrijkst.
Op de Rotterdamse basisschool de Catamaran is het leren van Nederlands het belangrijkst. Foto David van Dam

‘Ik ben nu een beetje verdrietig”, zegt juf Loes luid tegen de klas. Eén voor één stoppen de kleuters met hun taak, met rennen of met stoeien. „Kijk naar mijn gezicht: ver-drie-tig”. Haar mondhoeken wijzen naar beneden. „Sip”, zegt een meisje. Juf Loes: „Wat goed! Sip, ja ik ben sip. Want het is onrustig in de klas.” En dan: „Michael, waar is je bril? Zonder bril zie je mijn gezicht toch niet?”

Alles wat juf Loes tegen de kleuters zegt deze ochtend, zegt ze luid en duidelijk. Want het allerbelangrijkste op deze school, vertelt ze later, is taal.

Het nieuwe kabinet wil fors investeren in basisscholen in achterstandswijken. „Gelijke kansen vragen een ongelijke aanpak”, staat er in het coalitieakkoord. Dat is ook hard nodig, vindt de Rotterdamse wethouder Said Kasmi (Onderwijs, D66). „Taal, taal, taal. Je durft pas iets te vragen aan de leerkracht als je de taal beheerst.”

Lees ook dit interview met onderwijswethouder Marjolein Moorman: ‘Ongelijkheid moet je met ongelijkheid bestrijden

Op basisschool de Catamaran in Rotterdam-Lombardijen zitten 570 leerlingen, van 56 nationaliteiten. Van Pools tot Somalisch en van Turks tot Ghanees. Ze behoren vrijwel allemaal tot de vijfduizend Rotterdamse ‘doelgroep-kinderen’ – een officiële definitie voor kinderen met laaggeletterde, of anderstalige, ouders met een laag inkomen.

Er zijn kinderen die op hun vierde jaar pas voor het eerst Nederlands hoorden. Ze gingen niet naar de kinderopvang of de peuterspeelzaal, en hun ouders spreken geen Nederlands. Er zijn drie ‘schakelklassen’ met kinderen die dit jaar in Nederland zijn komen wonen en nog geen woord Nederlands spreken. Er zijn ook kinderen die nooit zijn voorgelezen of nooit hebben gepuzzeld. En kinderen die regelmatig met honger op school komen omdat thuis het geld op is. In deze wijk is dat heel normaal, zegt directeur Arina Rook.

In de klas van juf Loes maken twee jongens van vijf een grote puzzel. De één zal de hele ochtend zwijgen. Maar hij legt de puzzel behendig. Hij begint met de randen en ziet snel welk stuk waar moet. De andere jongen benoemt de kleuren van de stukjes. Geel, groen, oranje. Hij beheerst de taal iets beter, maar is snel afgeleid. Na vijf minuten loopt hij weg om iets anders te doen.

De Catamaran heeft zich een grote opdracht gesteld: taalachterstanden wegwerken. Dat moet ook wel, zegt Rook, want anders begrijpen de kinderen de instructies van de leerkrachten niet, de geschiedenisboeken niet, en kunnen ze de rekensommen niet begrijpen. En later geen sollicitatiebrief schrijven.

Aan de muur in een groot lokaal waar tientallen achtstegroepers zitten te werken, zijn de ambities van de Catamaran te lezen. De leerling op deze school „kan zich concentreren”, „geeft níet op”, „blijft proberen”, „gebruikt zijn fantasie”, „is nieuwsgierig”, „geniet van het leren”, „kan samenwerken” en „blijft zichzelf verbeteren”.

Goede resultaten

De resultaten op de Catamaran zijn goed: na groep 8 gaat 25 procent van de kinderen naar havo of vwo en 29 procent naar de hoogste niveaus van het vmbo. Bij elkaar 54 procent. Dat zijn relatief hoge schooladviezen. Landelijk gaat 40 procent van de leerlingen uit de laagste 20 procent inkomensgroep naar de hoogste vmbo-niveaus of havo of VWO, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Eigenlijk begint onderwijs vóór de basisschool, zegt wethouder Kasmi. Om die reden probeert de gemeente Rotterdam al vier jaar alle ‘doelgroeppeuters’ naar de peuterspeelzaal te krijgen. Nu komt 81 procent van die peuters daar, het streven van het college dit jaar (89 procent) is niet gehaald. Dat komt door de coronapandemie, zegt Kasmi. Peuters zaten nog meer thuis dan anders.

Wie doelgroep-peuters zijn, bepaalt het consultatiebureau – in alle gemeenten. Heeft een peuter zo’n indicatie dan vergoedt de gemeente acht uur peuterspeelzaal per week, het Rijk betaalt nog eens acht uur.

Eenvoudig is het niet om alle kleine kinderen te bereiken. In Den Haag, waar in sommige wijken zoals de Schilderswijk en het Laakkwartier 50 procent van de ouders laaggeletterd is, maakt maar 60 procent van de peuters uit de doelgroep gebruik van de maximaal zestien gratis peuterspeelzaaluren waar ze recht op hebben. Dat moet hoger, vindt wethouder Hilbert Bredemeijer (Onderwijs, CDA). Hij schrok van de omstandigheden in sommige gezinnen toen hij aantrad, eind 2019. „Ik lees mijn eigen kinderen elke avond voor. We hebben in huis wel vijf devices om mee te internetten. Maar in onze stad leven ook kinderen die geen speelgoed in huis hebben, geen puzzels of boeken. Geen computer of internet. Die op een matras slapen op de grond. Vooral kinderen van arbeidsmigranten.”

Het Rijk moet, vindt Bredemeijer, veel meer investeren in deze peuters. „Daar begínt de taalachterstand al, en dus de onderwijsachterstand.” Tot zijn verbazing wil het nieuwe kabinet wél de opvang voor kinderen van werkende ouders bijna gratis maken voor vijf dagen in de week, maar níet voor deze kinderen. „In het Laakkwartier en de Schilderswijk werkt de helft van de ouders niet. Juist díe kinderen hebben gratis opvang nodig om mee te kunnen komen op school.”

Hij krijgt bijval van wethouder Peter Heijkoop (Onderwijs, CDA) in Dordrecht. „Het kabinet ziet gratis kinderopvang als arbeidsmarktinstrument, om ouders aan het werk te krijgen. Maar ik zie kinderopvang ook als kanseninstrument. Juist de kinderen van wie ouders in de bijstand zitten of in de schuldsanering, zouden zo veel mogelijk gratis naar de peuterspeelzaal moeten gaan.”

Op de Catamaran in Rotterdam zitten 570 leerlingen, van 56 nationaliteiten.

Foto David van Dam

Vaak naar de opvang

Twee meisjes komen de trap af in de Catamaran. De één draagt een roze jas, de ander roze schoenen en een roze rugzak. Angel en Melissa zijn acht jaar en hebben net samen extra rekenles gehad. Twee tutoren – jonge studenten – geven hen sinds drie maanden twee uur per week bijles. De school betaalt de uren, uit de zogeheten NPO-gelden van het Rijk die bedoeld zijn om achterstanden door de coronacrisis weg te werken, de gemeente vergoedt de werving, training en de plaatsing.

Rekenen ging moeilijk tijdens de lockdowns, vertelt Angel. „De computer die mijn moeder en ik hebben, was kapot.”

Ze is niet de enige. In maart 2020 bleken 4.200 Rotterdamse kinderen geen computer of tablet thuis te hebben. Ze konden dus geen les volgen. „Als de wiedeweerga is de gemeente computers naar de scholen gaan brengen”, vertelt Kasmi. Een bedrijf en een stichting stelden laptops beschikbaar, een bank betaalde wifi-hotspots voor de scholen in achterstandswijken, zodat alle kinderen toegang hadden tot internet.

Toch verdwenen sommige kinderen compleet „van de radar”. Kasmi: „Leerplichtambtenaren zijn toen gaan aanbellen bij alle kinderen die niet in de online-lessen verschenen. Dat werkte goed – de meesten kwamen alsnog.”

Juf Loes belde elke week met haar leerlingen buiten de online groepsles om. „Soms zeiden ze: ‘juf, ik kan niet leren. Mijn moeder heeft corona en ik moet op mijn broertje letten.’ Of ik hoorde de herrie van drie andere kinderen op de achtergrond. Dan lúkt het gewoon niet. Ik zei dat dat niet erg was en dat we het weer zouden inhalen op school.”

Lees ook dit interview met toetsexpert Karen Heij: ‘Toetsen hebben de ongelijkheid in het onderwijs verstevigd

Stapels Liga-koeken in de kast

De leerlingen van de Catamaran hebben te maken met grote armoede, zegt directeur Arina Rook. Alleenstaande moeders; veel zitten in de bijstand, in de schuldsanering of hebben twee banen om rond te komen. Hun kinderen worden ’s avonds opgevangen door grote broers en zussen, omdat moeder dan werkt en vader ergens anders woont.

In de kast achter adjunct-directeur Bas van der Molen liggen stapels Liga-koeken. „Elke klas heeft elke dag wel een kind dat geen ontbijt heeft gehad of geen brood mee heeft. Bij het hek zeggen sommige ouders eerlijk: ‘Sorry juf, hij heeft vanochtend niet gegeten want mijn geld is op.’”

De Catamaran doet dan ook meer dan alleen onderwijzen. De school geeft cursussen Nederlands aan ouders, en cursussen omgaan met geld. Toen een paar jaar geleden bleek dat sommige kinderen in de wijk, en hun oudere broers, met een mes op zak liepen, nodigde de directie de wijkagent uit. Van der Molen: „De ouderzaal zat bomvol. Ouders zijn bang, ze willen echt weten hoe ze kunnen voorkomen dat hun kind problemen krijgt.”

Alles om de taal te leren.

Foto David van Dam

En dan is er de onder-advisering. Veel ‘doelgroep-kinderen’ hebben ermee te maken, vertelt wethouder Kasmi. „Ook in Rotterdam. Er zijn elk jaar kinderen die een lager advies krijgen voor de middelbare school dan ze eigenlijk aankunnen. Ze worden, door hun omstandigheden thuis, te laag ingeschat. Het is dus essentieel dat ze kunnen ‘stapelen’ – na het vmbo alsnog havo doen, of na de havo alsnog vwo.”

Kasmi weet er alles van. De basisschool stuurde hem in 1987 naar de mavo, daarna deed hij havo, hbo en uiteindelijk studeerde hij aan de universiteit.

Hij was „net” geboren in Marokko; op zijn eerste kwam hij in Rotterdam wonen bij zijn vader die het gezin vooruit was gegaan. Kasmi en zijn broers en zussen vertaalden de brieven van school, de Belastingdienst, de gemeente voor hun ouders. Sinds 2018 is Kasmi wethouder van onderwijs in de stad waar hij opgroeide.