Recensie

Recensie Boeken

In zijn aanval op het ‘wokisme’ schuwt de Franse filosoof Pascal Bruckner de nuance als de pest (●●)

Filosofie Volgens Pascal Bruckner zet het nieuwe antiracisme ‘ras’ weer op een voetstuk en bedrijft het zo ‘pigmentaire waanzin’. Zelf beweert hij dat hij is aangewezen als nieuwe zondebok.

De witte man moet als zondebok de woestijn in worden gestuurd.
De witte man moet als zondebok de woestijn in worden gestuurd. Foto Getty Images

Al in 1983 waarschuwde de Franse filosoof Bruckner ‘voor de mogelijke opkomst van een anti-wit racisme, een kruistocht tegen de bleekgezichten’. De nachtmerrie waar hij toen voor vreesde is inmiddels, bijna veertig jaar later, bewaarheid.

Bruckner is een filosoof die in de jaren zeventig en tachtig gerekend werd tot de ‘Nouveaux Philosophes’, een handig uitgeversetiket dat een auteur als Bernard-Henry Lévy op zichzelf en andere Franse denkers plakte, waaronder Alain Finkielkraut en André Glucksmann. Die laatste was daar trouwens niet van gediend. Ook Bruckner werd in die tijd ingelijfd, omdat hij zich verzette tegen de filosofische almacht destijds van marxistisch links; een paar jaar later keerden ‘de nieuwelingen’ zich ook tegen de invloed van poststructuralisten als Jacques Derrida, Michel Foucault en Gilles Deleuze.

Ieder op hun eigen manier pleitte deze ‘jaren zeventig filosofen’ voor een terugkeer naar de metafysica, en tegen elke vorm van relativering van het Kwaad, dat weer met een kapitaal mocht worden geschreven. Inmiddels zijn we decennia verder en Bruckner heeft nu een nieuw Kwaad te pakken: het ‘wokisme’.

De man als satan

In zijn jongste boek, Schuldig over de hele lijn, waarin hij beschrijft ‘hoe de witte man de ideale zondebok’ werd, wordt de nuance geschuwd als de pest. Zoals het hoort bij een klassiek opgeleide, Franse filosoof wordt zijn betoog geschraagd door drie stellingen. In het eerste hoofdstuk behandelt Bruckner het lot van ‘de man als satan’, in hoofdstuk twee vraagt hij zich af hoe ‘dodelijk’ en ‘racistisch’ het nieuwe antiracisme is, en in het laatste hoofdstuk breekt hij een lans voor het oude Europa van de Verlichting, dat nu voortdurend onder vuur ligt vanwege een geschiedenis van slavernij, racisme en kolonialisme.

Al die misstanden moeten worden onderzocht en erkend, maar, stelt Bruckner ‘geen enkele samenleving kan blijven bestaan als ze zichzelf dat bestaan verwijt. De onze is heel onvolmaakt. Dus hervormbaar.’ Kritiek en zelfkritiek ziet Bruckner als fundamentele, Europese waarden, maar de hang naar masochisme en zelfhaat vindt hij onverdraaglijk. ‘We hebben alle reden om de verdediging op te nemen van Europa, een van de grootste beschavingen uit de geschiedenis.’ Het meest overtuigt Bruckner als hij zich keert tegen de ‘racialisering van het antiracisme’, zoals dat eerst gebeurde in de Verenigde Staten en nu ook steeds vaker in Europa. ‘Amerika gaat het racisme te lijf in (…) racistische termen: elke (sic) mens wordt gereduceerd tot zijn huidskleur, sociale analyse is uit den boze (…) Het resultaat is een fragmentering tot in het oneindige.’

Volgens Bruckner dreigen in de huidige, antiracistische strijd aanduidingen als ‘wit’ en ‘zwart’ als reële essenties te worden beschouwd, onveranderlijke gegevens, waarmee niet wordt gestreefd naar een ‘multiraciale samenleving’, maar naar een ‘multiracistische’. Het nieuwe antiracisme zet ‘ras’ weer op een voetstuk en bedrijft zo ‘pigmentaire waanzin’.

Als iemand die de jaren zestig heeft meegemaakt, en ooit vanzelfsprekend behoorde bij ‘links’ - het links dat zich bezighield met ‘de klassenstrijd en sociale ongelijkheid’ - ziet Bruckner dat zich een dramatische verschuiving heeft voorgedaan. Er zijn nu ‘drie nieuwe grondslagen: ras, geslacht en identiteit.’ En de ‘vermaledijde heteroseksuele witte man’, deze ‘tot zijn huidskleur gereduceerde mens’ is ‘het schurftige schaap’ in alle drie de discoursen. Deze zondebok moet de woestijn in worden gestuurd door de goegemeente, want ‘hij kan niet los van zijn zonde worden gezien.’ De christelijke idee van de ‘erfzonde’, die vroeger nog alle stervelingen trof, heeft zich nu verzelfstandigd tot ‘witte schuld’ en ‘wit voorrecht’. En verzoening lijkt uitgesloten.

Nieuwe zondebok

Nu behoort Bruckner naar eigen zeggen zelf tot die aangewezen, nieuwe zondebok en zo kan het gebeuren dat in zijn tirades tegen het ‘nieuwe feminisme’, het ‘nieuwe antiracisme’, de #MeToo-beweging en het ‘dekolonisatie vertoog’ alles met alles in verband wordt gebracht.

Eigenlijk handelt Bruckner net als zijn tegenstanders, de eigentijdse activisten die ook wel ‘social justice warriors’ genoemd worden: die koppelen blind gender, ras, klasse en seksualiteit aan elkaar, ook als ze die samenhang eerst zelf moeten construeren. En dan is er nog ‘een kleinigheidje’ aan te merken op Bruckner’s boek: hij ziet niet in dat de ‘witte man’ als ‘zondebok’ allerminst naar de woestijn is verbannen, maar onverkort de machtsposities bezet in de westerse samenlevingen.

Witte man als vrijhaven

Nu is er scherpe kritiek van een relatief kleine, activistische en academische groep op die witte man. Die is lang niet altijd fair en vaak demagogisch. Maar één ding maakt Bruckner duidelijk in al zijn verongelijktheid: de witte man is het niet gewend geproblematiseerd te worden; de witte man ziet zichzelf als de vrijhaven bij uitstek te midden van die zee aan minderheden. Hij is het gewend om te oordelen, niet om beoordeeld te worden. Zelfproblematisering, zelfkritiek en introspectie, dat is wat er aan dit boek ontbreekt.