Recensie

Recensie Boeken

Het meesterwerk van de briljante (en irritante) Wittgenstein is eindelijk goed vertaald

Wittgenstein Honderd jaar na de eerste publicatie van de Tractatus logico-philosophicus zijn er twee gloednieuwe vertalingen verschenen. Nieuwe generaties lezers en studenten kunnen zich weer een toegang verschaffen tot dit mysterieuze meesterwerk.

Ludwig Wittgenstein in 1930
Ludwig Wittgenstein in 1930 Foto akg-images

Het is niet zo vaak dat er over een filosofisch boek zoveel te zeggen valt, terwijl de auteur van dit boek zijn lezers liever het zwijgen oplegt. Dit is het geval met de Tractatus logico-philosophicus (1921), een boek dat precies honderd jaar bestaat en nog steeds bijzondere aandacht verdient. Niet alleen omdat de Tractatus nog altijd een van de belangrijkste werken van de moderne filosofie is; een eeuw na zijn eerste publicatie is het ook nog altijd een van de populairste.

Die aanhoudende populariteit ligt niet zonder meer voor de hand. Het boek gaat vooral over technische, logische problemen maar is niet simpelweg een logische studie. Wat is het dan wel? Een metafysische of kentheoretische verhandeling of eerder een ethisch, of zelfs mystiek werk? Daarover is nooit enige consensus bereikt. In elk geval berust de blijvende aantrekkingskracht van de Tractatus niet alleen op zijn vernieuwende inhoud, maar minstens zozeer op zijn stijl en op de persoonlijkheid van zijn auteur: Ludwig Wittgenstein.

Briljante, irritante student

De levensloop van Wittgenstein (Wenen, 1889-1951) was op zijn zachtst gezegd schilderachtig. In 1911 was hij in Cambridge komen studeren bij de Britse logicus Bertrand Russell, die al snel onder de indruk raakte van deze even briljante als irritante student. Wittgenstein was prikkelbaar, even veeleisend tegenover anderen als tegenover zichzelf, en vervuld van een allesoverheersend schuldgevoel. Ooit trof Russell hem al ijsberend op zijn kamer aan. ‘Denk je na over logica of over je zonden?’ vroeg hij hem. ‘Allebei’, antwoordde Wittgenstein.

Wie meer over Wittgensteins persoonlijkheid wil weten, kan goed terecht bij Bert Keizers uiterst leesbare Leven en werk van Ludwig Wittgenstein. Als inleiding op diens werk is het wat minder succesvol: het berust op een inmiddels verouderde visie op de Tractatus en zijn auteur en de discussie over logische kwesties is wat losjes. Keizer sluit aan op de eerste generatie naoorlogse Nederlandse lezers, die onder de indruk was van de literaire stijl en de schijnbare antiklerikale boodschap van het boek. De strenge genummerde stellingen ervan werden door polemische en antireligieuze geesten zoals W.F. Hermans, Rudy Kousbroek en Hugo Brandt Corstius gelezen als een strikt wetenschappelijke afbakening van wat betekenisvol taalgebruik is, en wat daarbuiten valt en dus als ‘onzin’ kan worden afgedaan – met name religieuze en metafysische uitspraken. Pas in later jaren kwam er stelselmatiger aandacht voor Wittgensteins eigen mystieke en spirituele dimensies.

Hermans’ vertaling van de Tractatus, uit 1974, bijna een halve eeuw de enige Nederlandstalige versie, is helaas een aanfluiting. Deze vertaling stikte van de – soms ernstige en elementaire – fouten: één recensent telde er maar liefst 122. Ook Hermans’ uitleg van de talrijke duistere passages van de Tractatus was vaak summier, misleidend of onjuist. Het is dan ook verbazingwekkend dat er niet veel eerder een nieuwe poging is gedaan om de vroege Wittgenstein toegankelijk te maken voor een Nederlandstalig publiek.

Bravoure

Maar nu, precies honderd jaar na de eerste publicatie zijn er, zelfs in dezelfde week, twee gloednieuwe vertalingen verschenen. Daarmee kunnen nieuwe generaties lezers en studenten zich een eerste toegang verschaffen tot dit meesterwerk.

Waar gaat de Tractatus over? In zijn voorwoord schrijft Wittgenstein, met alle bravoure van een twintiger, dat alle filosofische problemen berusten op het verkeerd begrijpen van de logica van onze taal, en dat hij al deze problemen voor eens en voor altijd heeft opgelost.

Wittgenstein baseerde zich op de nieuwe ideeën van Gottlob Frege en Bertrand Russell: die hielden de belofte in om niet alleen de wiskunde te herleiden tot puur logische principes, maar ook om filosofische problemen op te lossen door de logische structuur van uitspraken te analyseren en beschrijven. Maar al snel kwam Wittgenstein tot de conclusie dat hun programma hopeloos was.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog nam hij als vrijwilliger dienst in het Oostenrijks-Hongaarse leger – ook dat was voor de pacifist Russell een bijna onbegrijpelijke daad. Wittgensteins ‘Geheime dagboeken’ uit deze tijd, die pas in de jaren negentig zijn gepubliceerd, tonen een diep-religieuze ziel, wanhopig op zoek naar verlossing van, of berusting in, alles wat hem kwelde: zijn schuldgevoel, zijn doodsangst, zijn afkeer van zijn lompe medesoldaten, en zijn twijfels over zijn filosofische vermogens. Zijn steeds herhaalde aanroepen als ‘Niet mijn, maar uw wil geschiede en ‘Moge God me verlichten!’ doen aan Reve denken. De belangrijkste bron van deze religieuze wending was Tolstoj. Wittgenstein las en herlas intensief diens Mijn kleine evangelie, dat beschrijft hoe je een waarlijk christelijk leven kunt leiden, ook in afwezigheid van een kerk. ‘Dat boek heeft mijn leven gered’, zei hij achteraf.

Lees ook: Wittgenstein sloeg zijn leerling bewusteloos

Omstreeks dezelfde tijd kwam ook een doorbraak in Wittgensteins filosofische werk: de zogeheten afbeeldingstheorie van de taal. Een uitspraak of propositie, betoogde hij, is een beeld van de wereld: de logische structuur van zinnen beeldt de logische structuur van de werkelijkheid af. Op zichzelf was dat idee nog niet zo nieuw of spectaculair, maar Wittgenstein voegde toe dat datgene wat taal en werkelijkheid gemeen hebben onmogelijk zelf in woorden kan worden uitgedrukt: het toont zich alleen. Deze opvatting was fundamenteel strijdig met Russells analyses. Russell probeerde de logische structuur van taal steeds nauwkeuriger te beschrijven, maar volgens Wittgenstein valt ze niet in taal te vangen. ‘Waarvan men niet kan spreken, daarover moet men zwijgen’, concludeerde hij onverbiddelijk.

Ook de waarheid van uitspraken is iets wat zich toont. We kunnen dus geen begrip, laat staan een theorie, van de waarheid vormen. Als we bijvoorbeeld waarheid omschrijven als een overeenkomst tussen een uitspraak en een feit, proberen we in woorden te vatten wat taal en werkelijkheid gemeen hebben – en dat is volgens Wittgenstein onmogelijk.

In stelling 6.522 omschrijft hij datgene wat niet in taal kan worden uitgedrukt ook als ‘het mystieke’.

De latere Wittgenstein

Toch wringt hier iets: kón Wittgenstein überhaupt wel zulke metafysische uitspraken doen over de relatie tussen taal en wereld? Of probeerde hij juist álle metafysische taal te ontmaskeren als betekenisloos? Of geeft het boek eerder een kentheoretische kritiek, die de grenzen van betekenisvolle taal afbakent, zoals Kants Kritiek van de zuivere rede de grenzen van objectief geldige kennis afbakent?

Die vragen worden nog ingewikkelder doordat de laatste paragrafen van de Tractatus opeens een heel andere toon aanslaan: ze gaan niet over taal, betekenis, logica en werkelijkheid, maar vooral over ethiek. Ethische uitspraken, schrijft Wittgenstein hier, gaan niet over de wereld, maar vormen de voorwaarde daarvan. Anders gezegd: noties als ‘goed’ en ‘kwaad’ zitten niet in de wereld, maar in de wil of in het subject. Daarom, vervolgt hij, is de wereld van de gelukkige mens ook een andere dan die van de ongelukkige – een ethiek die hij eerder ontleende aan Russen zoals Tolstoj en Dostojevski dan aan Britten als Russell en G.E. Moore.

In elk geval leefde Wittgenstein wel consequent naar zijn overtuiging dat hij alle filosofische problemen definitief had opgelost, of eerder afgeschaft: hij keerde zich, schijnbaar definitief, van de filosofie af.

Jarenlang, en met wisselend succes, werkte hij als onderwijzer op een dorpsschool als tuinman in een klooster, en als architect. Pas tien jaar later keerde hij terug tot filosofische kwesties.

Lange tijd overheerste het idee dat deze ‘latere Wittgenstein’ radicaal afstand had genomen van deze ideeën. In de postume Filosofische onderzoekingen, opnieuw verschenen bij uitgeverij Boom, maakt hij gewag van ‘ernstige fouten’ in de Tractatus, en ontwikkelt hij een notie van filosofie als therapie tegen wat hij noemt ‘de beheksing van ons verstand door de taal’. Maar sinds 2000 heeft zich een invloedrijke nieuwe lezing doorgezet, die betoogt dat de breuk tussen de vroege en de late Wittgenstein lang niet zo radicaal is als was gedacht, en dat de Tractatus geen metafysische of kentheoretische doctrines presenteert, maar evenals de Onderzoekingen een therapeutisch werk is. Deze lezing wordt doorgaans aangeduid als de ‘nieuwe Wittgenstein’ – alsof het om een vernieuwd wasmiddel gaat. Niet dat ze tot meer overeenstemming heeft geleid; integendeel, de discussies erover waren soms zó fel van toon, dat er wel van de ‘Tractatus-oorlogen’ is gesproken.

‘Bedeuten’

De nieuwe vertalingen van Peter Huijzer en Jan Sietsma bij uitgeverij Octavo en van Victor Gijsbers bij uitgeverij Boom geven Nederlandse lezers een solide fundament om zich te storten op de duiding van Wittgenstein en op zulke debatten. Ze ontlopen elkaar nauwelijks in kwaliteit, en zijn ook grotendeels op dezelfde principes gebaseerd: blijf zo dicht mogelijk bij Wittgensteins stijl en syntaxis en vertaal – voor zover mogelijk – dezelfde termen steeds hetzelfde. Dat lijkt simpeler dan het is. Waar bijvoorbeeld Frege een strikt en systematisch onderscheid maakte tussen betekenis (Sinn) en verwijzing (Bedeutung), gebruikt Wittgenstein deze termen meestal als synoniemen – maar helaas niet altijd. En met bedeuten bedoelt hij meestal ‘betekenen’, soms ‘verwijzen’, en een enkele keer ‘indirect aanduiden’ (4.115).

Beide Nederlandse versies hebben zichtbaar moeite met deze grillig gehanteerde terminologie. Gijsbers’ vertaling doet soms wat ouderwets aan; zo vertaalt hij bedeuten als ‘refereren aan’, en niet als het gebruikelijker ‘verwijzen naar’. De versie van Huijzer en Sietsma biedt doorgaans soepeler en eleganter Nederlands; maar daardoor staat ze grammaticaal soms iets verder van het Duits af. Voor het begrip van de tekst zijn zulke verschillen echter van ondergeschikt belang. Persoonlijk heb ik een lichte voorkeur voor de Octavo-uitgave; die heeft bovendien het handzame formaat van een zakbijbel, en is voorzien van een glossarium en een index, en van een gedegen inleiding door Wittgensteinkenner Martin Stokhof; dat maakt het voor studiedoeleinden wellicht bruikbaarder. Maar deze voorkeur is meer een kwestie van stijl dan van precisie in de vertaling.

Toch gaat uiteindelijk de blijvende aantrekkingskracht van dit meesterwerk wezenlijk voorbij zijn stijl of filosofische inhoud. Wittgenstein heeft ontegenzeggelijk iets profetisch. Zijn stellingen lijken meer het product van inspiratie dan van argumentatie; toelichting of uitleg geeft hij niet. En ‘inspiratie’ lijkt ook het voornaamste te zijn wat componisten en kunstenaars zoals Steve Reich en Barnett Newman aan zijn werk hebben ontleend. Zo kun je Wittgenstein wellicht ook zien: als een profeet zonder geloof.