Recensie

Recensie Boeken

Een dichter die juist níet bezeten was van poëzie

Biografie De dichter Louis Lehmann is door zijn relativerende houding ten opzichte van de literatuur uit zicht geraakt. Dat laat zijn biograaf Jaap van der Bent overtuigend zien.

Louis Lehmann in 2000
Louis Lehmann in 2000 Foto Roeland Fossen/ Hollandse Hoogte

Het mag dan verleidelijk zijn om je de kunstenaar voor te stellen als iemand die volledig bezeten is van kunst, en in sommige gevallen zal dat ook wel zo zijn, maar je hebt ze ook van een heel andere snit. De lang levende Louis Lehmann (1920-2012) was er zo één; iemand die graag en zeker aan het begin van zijn leven ook veel en gemakkelijk dichtte (soms wel drie sonnetten per dag), maar die tegelijkertijd, en ook al toen hij jong was, niet bijzonder veel om die activiteit leek te geven. Toen hij als tiener zijn opwachting mocht maken bij Adriaan van der Veen, een invloedrijke, deurenopenende figuur in het land der letteren, kwam hij niet bepaald als een hemelbestormer over. ‘Ik zie nog zijn lichte ogen’, zou Van der Veen zich later herinneren, ‘zijn vage, hoogst onpersoonlijke glimlach, toen hij bij die eerste ontmoeting waarbij hij zijn gedichten onverschillig afstond lijzig uiteenzette dat hij voor de sensatie van hardlopen door de polders van Overschie, waar hij woonde, de hele literatuur cadeau gaf.’ Het was even wennen, deze dichter ging liever een stukkie rennen.

Dit, deze relativerende houding ten opzichte van de literatuur, of van de poëzie, zou Lehmann zijn leven lang behouden. Hij richtte zich op iets anders (hij studeerde af als jurist en promoveerde zelfs als scheepsarcheoloog), bekwaamde zich in andere artistieke domeinen (dans, schilderkunst en muzikale compositie) en gaf in de gedichten die hij nog wél schreef af op de poëzie of op de misverstanden daaromtrent. ‘Poëzie is nutteloos/ als narcissen en tulpen’, dichtte hij in de in 1966 verschenen bundel Luxe, ‘aan de bollen waarvan/keihard genoemde lieden/millioenen verdienen.’ Het was alsof Lehmann al jong voorvoelde dat het zijn van dichter, het door de buitenwacht tot dichter worden geridderd, op een soort vloek neerkwam.

Geen baan

Na de Tweede Wereldoorlog lukte het hem, ondanks zijn academische merites, maar niet om ergens een vaste baan te bemachtigen. Hij was er stellig van overtuigd dat zijn ‘dichterschap’, of andermans herinnering daaraan, hem daarbij dwarsboomde. Iedereen die het wel voor elkaar bokste om ergens een arbeidscontract af te dwingen, noemde hij ‘tovenaars’. Kruimelwerk was zijn deel. Zo was hij in 1951 even ‘flessenloper’ in Limburg en liep hij, verkleed als fles, reclamemakend over straat. In een brief aan zijn uitgever: ‘Het is vervelend werk. Om mij heen staat de schooljeugd die zegt: “Der zit nen mens in” en dan “Hoe komt hij eruit?”’ (Van de Limburgers was overigens ‘30 procent scheel’, iets wat Lehmann aan het katholicisme toeschreef.)

Geestige anekdotes genoeg in De dichter die het niet wilde zijn, de door Jaap van der Bent geschreven biografie, maar je ontkomt toch niet aan de indruk dat hem iets essentieels door het net is geglipt. Want heel scherp wordt de karaktertekening van Lehmann nooit. Ik geloof dat dit er, zoals wel vaker in schrijversbiografieën, mee te maken heeft dat de biograaf in kwestie het moet hebben – denkt te moeten hebben – van data die er misschien wel niet zo erg toe doen voor een schrijver. Van der Bent somt de vriendschappen en relaties van Lehmann op, de persreacties op zijn boeken en de reizen die hij door de jaren heen maakte, zonder dat je ervan overtuigd raakt dat Lehmann door dat soort informatie echt in beeld verschijnt. Het ligt er maar aan wat je zoekt in een biografie, maar wie wil weten wie Lehmann was blijft zitten met een schim; iemand die zich weliswaar in de door iedereen gekende wereld van werk en relaties bevond, maar slechts ten dele en, alle tijd bij elkaar opgeteld, ook maar relatief kort. Lehmann woonde bijvoorbeeld veel alleen, in armetierige, door de kou geplaagde huizen, hokken en kamers. Uit de jaren aan tijd die Lehmann in zijn eentje in zulke panden doorbracht kun je amper een snipper informatie onttrekken. Waarom zou een tussendoor gemaakt reisje waar je wél informatie uit kunt halen dan opeens veelzeggend moeten zijn?

Lees ook: De emotie zat in het ongeposeerde leven

Hang naar anonimiteit

Wat had een biograaf dan gemoeten met een dichter met zo’n hang naar anonimiteit? Ik zou zeggen: een intellectuele(re) biografie schrijven, waarin bijvoorbeeld vorming en duiding van het werk een voorname rol speelt. Zeker als je leest dat iemand als Kees Fens, toch ook niet bepaald een criticus van de straat, meende dat Lehmann ‘wel erg veel intellectuele bagage in zijn gedichten stopte’. Maar welke bagage dan? Hoe of waar moeten we Lehmanns schrijven (hij leverde ook romans af) plaatsen, literair-historisch? Je moet er toch, bijvoorbeeld door te bladeren in Gij zult niet bloemlezen!, Erik Bindervoets eveneens verschenen Lehmann-bloemlezing, grotendeels zelf achteraan.

Wat wel duidelijk is, is dat Lehmann bijna honderd jaar lang als een soort toerist door het leven ging. Nieuwsgierig, wendbaar, verkennend, geenszins onder de indruk van douaniers en poortwachters, ondanks de tegenslagen niet tot op het bot verzuurd en – ondanks een onuitroeibaar sjiek accent – het tegenovergestelde van nuffig. Hij was al een heer op leeftijd toen in Nederland de punk z’n intrede deed, de knip-en-plak, doe-het-dan-lekker-zelf-stroming. Lehmann zag er wel wat in en stapte in 1984 het welbekende Fort van Sjakoo binnen, de linksige boekhandel waar destijds Diana Ozon, dichter en spin in het punk-web achter de balie stond. ‘Jongedame’, wilde Lehmann weten, ‘maakt u nog steeds een blaadje?’ Hij overhandigde haar een envelop met gedichten. Zonder te weten dat ze een dichter van statuur tegenover zich had gehad drukte Ozon de gedichten, die ze goed vond, enige tijd later af in het zogenoemde Zebra Psychedelica. Het blaadje ‘vloog er vervolgens doorheen’, omdat poëzie-liefhebbers wél in de gaten hadden hoe bijzonder nieuw werk van Lehmann was. Ook trad Lehmann rond die tijd op in kraakpanden, daarbij ongevraagd begeleid door een punkmeisje dat ritmisch op de vloer begon te trommelen. Lehmann vond dat fijn. Het is één van die momenten waarop je denkt: misschien had Lehmann er wel vrede mee kunnen hebben om dichter te zijn, maar had hij gewoon wat later geboren moeten worden.