Wat Van Gogh liefhad in andere kunst

Van Gogh-biografie Van Gogh-biograaf Steven Naifeh schreef een eloquent boek over de kunstenaars die Van Gogh inspireerden. Het visueel geheugen van Van Gogh was formidabel.

Louis Anquetin : Avenue de Clichy, vijf uur in de middag, 1887 en Vincent van Gogh: Caféterras bij nacht, 1888.
Louis Anquetin : Avenue de Clichy, vijf uur in de middag, 1887 en Vincent van Gogh: Caféterras bij nacht, 1888. Wadsworth Atheneum Museum, Kröller-Müller Museum

Wat doet een goede biograaf? Die kruipt in iemands ziel en probeert te begrijpen hoe diegene zijn of haar leven leefde. Dat schrijft de Amerikaanse biograaf Steven Naifeh in zijn recent verschenen Van Gogh and the Artists He Loved, een groot en rijk geïllustreerd boek dat op heldere wijze inzicht biedt in het schildersbrein van Van Gogh.

Naifeh is een gelauwerd biograaf. Samen met zijn in 2014 overleden echtgenoot Gregory White Smith publiceerde hij twee monumentale kunstenaarsbiografieën: in 1989 het met een Pullitzer-prijs bekroonde Jackson Pollock: An American Saga, en in 2011 Vincent van Gogh: The Life. Dat laatste levensverhaal, een meer dan duizend pagina’s tellend boek, rekende volgens NRC-recensent Bas Heijne af met het stereotiepe beeld van Van Gogh als zoekende ziel in een lelijke wereld. Op overtuigende wijze portretteerden de twee Amerikanen Van Gogh als een manische man, die voortdurend probeerde de werkelijkheid ondergeschikt te maken aan zijn radicale verbeelding.

Het is goed om zoveel lief te hebben als men kan

Vincent van Gogh

Naifeh en Smith werkten tien jaar aan hun Van Gogh-biografie. Ter voorbereiding kropen ze op een bijzondere manier in zijn hoofd. Niet alleen lazen ze alle literaire werken die Van Gogh in zijn ruim achthonderd bewaard gebleven brieven noemde, ze verdiepten zich ook in de vele collega-kunstenaars over wie hij schreef.

Van Gogh is zijn korte leven lang altijd een gulzig kunstconsument geweest. Voor hij op zijn 27ste zelf kunstenaar werd, werkte hij zeven jaar bij een gerenommeerde kunsthandel waar hij dagelijks werk van tijdgenoten kon bestuderen. Hij was een frequent museumbezoeker, verzamelde prenten en geïllustreerde tijdschriften, stond in nauw contact met vooraanstaande Nederlandse en Franse kunstenaars, en tot vlak voor zijn dood kopieerde hij bewonderde kunstwerken van anderen. „Het is goed om zoveel lief te hebben als men kan want daarin is de ware sterkte”, schreef Van Gogh in 1878 aan Theo, zijn jongere broer met wie hij zo’n innige band had.

Beeldbank

Naifeh en Smith legden voor hun biografie een beeldbank aan van alle door Van Gogh beschreven kunstenaars. Ook begonnen ze werk van deze kunstenaars te verzamelen. Door zich letterlijk te omringen met zijn smaak leerden ze als biografen Van Goghs associatieve manier van kijken begrijpen, schrijft Naifeh.

Voor de aankoop van schilderijen van Monet en Gauguin hadden de biografen de middelen niet. Maar veel andere negentiende-eeuwse kunstenaars die Van Goghs enthousiasme wekten bleken „verbazingwekkend betaalbaar”, schrijft Naifeh in Van Gogh and the Artists He Loved.

Armand Guillaumin (1841-1927): Stilleven met een blauwe doos met handschoenen, ca. 1873. Collectie Gregory White Smith en Steven Naifeh

Vincent van Gogh: Oleanders, 1888 Collectie Metropolitan Museum of Art

Voor bedragen van soms maar een paar duizend euro kochten de biografen op veilingen tientallen schilderijen en tekeningen van bijvoorbeeld de Franse landschapschilders Georges Michel en Charles Daubigny, en de Haagse School-schilder Anton Mauve (een aangetrouwde neef bij wie Van Gogh kort in de leer ging).

Hun kunstcollectie vormde de basis voor Naifehs recente boek én voor de tentoonstelling Through Vincent’s Eyes: Van Gogh and His Sources. Op deze expositie, die tot eind mei in twee Amerikaanse musea te zien is, zijn vijftien werken van Van Gogh samengebracht met honderd werken van kunstenaars die hem inspireerden.

Fundament

Dat Van Goghs oeuvre gebouwd is op een stevig fundament van voorgangers is op zich geen nieuws. De verdienste van Naifeh is dat hij in Van Gogh and the Artists He Loved de inspiratiebronnen zo eloquent en overtuigend weet bloot te leggen. Dat doet hij aan de hand van vijftien thema’s. Afbeeldingen van werken van kunstenaars waarover Van Gogh zich lovend uitliet combineert Naifeh met schilderijen en tekeningen van Van Gogh zelf. De overeenkomsten zijn vaak frappant.

De boeren van de Franse kunstenaar Jean-François Millet („Vader Millet”, schreef Van Gogh) kwamen in vele gedaanten bij Van Gogh terug, soms vrij letterlijk. Een portret van een boerenfamilie aan tafel van Jozef Israëls resoneerde in Van Goghs vroege meesterwerk De aardappeleters.

Jacob Maris (1837-1899): Twee meisjes bij een piano, 1880 Collectie Rijksmuseum

Vincent van Gogh: Marguerite Gachet aan de piano, 1890 Collectie Kunstmuseum Bazel

Van Gogh had een formidabel visueel geheugen, legt Naifeh uit. Kunstwerken die hij op een tentoonstelling of in een tijdschrift had gezien, konden jaren in zijn geest sluimeren om dan opeens als inspiratiebron te dienen voor een schilderij.

Een van de voorbeelden waarover Naifeh schrijft, betreft een werk van Jacob Maris dat Van Gogh in 1881 zag op een tentoonstelling in Brussel. „Prachtige dingen” toonde Maris, schrijft hij aan Theo, en dan vooral een aquarel van „twee meisjes in ’t wit bij de piano”. Negen jaar later portretteerde Van Gogh in Auvers Marguerite Gachet in een witte jurk achter de piano, een portret dat qua compositie grote gelijkenis vertoont met de waterverftekening van Maris.

Een hoofdstuk in het boek gaat over de illustraties in The Graphic, een Brits tijdschrift dat veel aandacht schonk aan de slachtoffers van de industriële revolutie. In de zomer van 1882 kocht Van Gogh tien jaargangen van het weekblad, meer dan vijfhonderd afleveringen. Hij haalde de houtgravures eruit en prees de thematiek van de makers. „Het zijn grote artiesten die Engelsen”, schreef hij aan Anthon van Rappard, een bevriende kunstenaar. „Voor mij zijn de Engelse tekenaars wat Dickens op ’t gebied van literatuur is. Het is één zelfde sentiment, nobel en gezond en waar men altijd weer op terugkomt.”

Verschillende keren loofde Van Gogh in zijn brieven een prent van Luke Fildes, gemaakt op de dag in 1870 dat Dickens stierf.

Samuel Luke Fildes (1843-1927): De lege stoel [van de juist overleden schrijver Charles Dickins], in 1870 gepubliceerd in het tijdschrift The Graphic.

Vincent van Gogh: Gauguins stoel, 1888 Collectie Van Gogh Museum

In de werkkamer van de schrijver had Fildes diens lege stoel getekend. Achttien jaar later schilderde Van Gogh de lege stoel van Gauguin, toen de Franse kunstenaar uit Arles zou vertrekken en daarmee Van Goghs droom op een kunstenaarskolonie liet vervliegen.

Karakter

De jaren dat Van Gogh andere kunstenaars bestudeerde en intensief oefende om zijn vaardigheden te verbeteren resulteerden in iets groots, concludeert Naifeh in zijn boek. Op basis van alle opgedane impressies ontwikkelde Vincent Van Gogh een nieuwe vorm van kunst. Een die minder gepolijst was dan de academische kunst van zijn tijd, en die meer nadruk legde op originaliteit, karakter en expressiviteit. Ook fleurde hij het kleurenpalet voor serieuze schilderkunst flink op.

Louis Anquetin (1861-1932): Avenue de Clichy, vijf uur in de middag, 1887 Wadsworth Atheneum Museum

Vincent van Gogh: Caféterras bij nacht, 1888. Kröller-Müller Museum

De veranderingen waren zo groot, stelt Naifeh, dat het voor Van Goghs tijdgenoten moeilijk was om de verdiensten van deze nieuwe kunst in te zien. Maar Van Goghs overtuiging dat hij „een schakel in de ketting van kunstenaars” was en dat zijn werk een brug zou vormen naar toekomstige kunst is bewaarheid. Over die erfenis van Van Gogh, en hoe snel zijn naam postuum gevestigd raakte, schreef Ann Dumas een prettig lezend nawoord.