Opinie

Een stad zonder plasgeur is leeg

Gemma Venhuizen

De openbare urinoirs van Amsterdam stinken niet meer. Eerst was het me ontgaan, zoals dat gaat bij het verdwijnen van iets onaangenaams. Niet ruiken dringt zich minder op dan ruiken. Pas vorige week dacht ik bij het passeren van een stalen plaskrul: waar is de pislucht? Dankbaar snoof ik de frisse lucht op. Maar inmiddels heb ik een nieuw stadium bereikt: ik mis de geur van urine.

Het is zoals die keer dat ik sentimenteel werd bij het passeren van een Dixi op een hete zomerdag. Niet de chemische-toiletgeur zelf bracht me in vervoering, maar de herinnering die bovenkwam. Aan een festivalbezoek met een jongen die inmiddels mijn ex was. Bij die gedachte kwam de weemoed.

Een stad zonder plasgeur is leeg. Unheimisch. In een apocalyptische film zou de hoofdpersoon zelfs zonder rokende puinhopen weten dat er iets niet in de haak is als de openlucht-urinoirs te schoon zijn. Er is geen leven meer op straat.

De oorzaak van de verdwenen lucht laat zich raden. Plaslust manifesteert zich na alcoholconsumptie, en dus zal de drang tot staand urineren sinds de horecasluiting sterk verminderd zijn. Maar door die sluiting dreigt nu ook de zittende plasser uit het straatbeeld te verdwijnen.

Die wás al nooit zichtbaar, zult u zeggen, vanwege de hoge wildplasboete: 140 euro. (De keer dat een vrouw die boete aanvocht na een wildplassessie in hartje Amsterdam oordeelde de rechter dat ze had moeten hurken in een openbaar urinoir.) Maar ik bedoel het minder letterlijk. Wie zittend wil plassen tijdens een ommetje kan nergens meer terecht. Openbare unisex-toiletten zijn er te weinig, zo schreef een lezer dit weekend in NRC: „Nederland is niet echt gidsland als het om openbaretoiletcapaciteit gaat.” De cafés zijn dicht, de musea zijn dicht. En dus zit er voor de stedeling met kleine blaas weinig anders op dan thuisblijven.

Musea worden deze week tijdelijk omgetoverd tot sportzalen, theaters veranderen in kapsalons. Het is te hopen dat er óók kunstcentra zijn die zich zullen aanbieden als openbaar toilet. Museum-wc’s zijn onovertroffen – een kennis kocht ooit een Museumkaart omdat ze dan altijd goed sanitair op loopafstand had.

Onlangs lukte het Britse biologen om met dna uit de lucht te analyseren welke soorten er in dierentuinen leven. Het verbaasde me niet, want dierentuinlucht is zelfs puur op reuk te ontleden – pinguïns herken je door hun vissige poeplucht, in een gorillaverblijf houd je je adem in. Maar het nieuws had een droevige corona-ondertoon. Ik zag ouders voor me die hun kind een flesje dierentuinessence gaven. „We kunnen niet naar de olifanten, maar hier heb je wat giraffegeur.”

Hoelang nog tot je uit museumlucht kunt opmaken welke schilderijen er hangen? Tot politici reageerbuisjes aanbevelen bij de zoveelste lockdown? Lekker cultuur snuiven.

Gemma Venhuizen is biologieredacteur bij NRC en schrijft op deze plek elke woensdag een column.