Schaatsenrijders zonder ijs

De schaatsenrijder stort zich als een EHBO’er op verdrinkend voedsel, ziet
Grote schaatsenrijder Aquarius paludum
Grote schaatsenrijder Aquarius paludum Foto Tim Faasen

Zolang het winter is, zullen er mensen zijn die met zweet op het voorhoofd de thermometer in de gaten houden. Zakt de temperatuur voldoende om sloten en vaarten te laten bevriezen? Of wordt het op zijn minst koud genoeg om terreinen te kunnen besproeien en er ijsbaantjes van te maken? De ware schaatsenrijders hoor je hardop dromen van zwieren over het ijs.

Ik denk bij schaatsenrijders aan wantsen. Wantsen die behoren tot de familie Gerridae zijn langwerpig gevormde, grijze of bruine insecten die de naam schaatsenrijders danken aan hun vermogen te zwieren over rustige wateroppervlakken. Daar hebben ze geen ijs voor nodig. In het koude seizoen verkeren ze op verscholen plekjes in winterrust en zul je ze dus niet tegenkomen. Dat zwieren doen schaatsenrijders dan ook niet met ijzers onder hun poten, maar met haartjes.

Het lichaam van Gerridae is bedekt met heel fijne hydrofobe haartjes, die zo klein zijn dat er meer dan duizend op een vierkante millimeter passen. Doordat de haartjes waterafstotend zijn, kunnen druppels, spetters en zelfs golven zo’n insect niet onderdompelen. Dit effect wordt nog versterkt doordat bij een overspoeling minuscule luchtbellen tussen de haartjes worden vastgehouden, waardoor de wants niet alleen vanzelf weer boven komt drijven, maar ook nog zuurstof krijgt via de ademhalingsopeningen aan de zijkant van het lichaam.

Die duizenden haartjes helpen het dier bovendien gebruik te maken van de oppervlaktespanning van het water. Ze maken kuiltjes in de vloeistof waardoor de schaatsenrijder wordt gedragen. Het lichaamsgewicht wordt mooi verdeeld door de opvallend lange, slanke midden- en achterpoten, die flexibel genoeg zijn om die verdeling gelijk te houden, ook als het water klotst.

Als een schaatsenrijder wil gaan zwieren, gebruikt hij de lange middenpoten als een soort roeispanen om zich mee af te zetten, terwijl hij met de achterpoten stuurt. De voorpoten van zo’n wants zijn juist kort. Die worden gebruikt om rimpelingen op het water te voelen. Elke rimpeling heeft een andere betekenis.

Zo zijn er verleidingsgolfjes met een relatief lage frequentie die een geïnteresseerde mannelijke schaatsenrijder kan veroorzaken. Dat doet hij alleen als hij geen afwijzingsgolfjes met een hogere frequentie heeft ontvangen van een vrouw. En golfjes voortgebracht door het spartelen van een onfortuinlijk insect dat te water is geraakt, betekenen dat er een maaltijd is gearriveerd. De schaatsenrijder is dan net zo snel bij het slachtoffer als een geoefend EHBO’er. Eerste hongerige bij ongelukken. Hij steekt zijn zuigsnuit, of rostrum, in het verdrinkende voedsel, spuit verteringssappen in de prooi en sabbelt de resulterende soep op.

De laatste keer dat ik zelf ging schaatsen, eindigde ik ook spartelend op het oppervlak. Ik viel en brak mijn heiligbeen. Hoe ik ook probeerde, het lukte me niet op te staan. Gelukkig waren daar EHBO’ers die me te hulp kwamen. Ze waren tot mijn opluchting niet hongerig en prikten geen rostrum in me om verteringssappen in te spuiten. Het enige wat op zeker moment in mijn arm werd gestoken, was een injectienaald waarmee een weldadige pijnstiller werd toegediend.