Necrologie

‘Paco’ Gento, de Spaanse held van het allergrootste Real-elftal

Francisco ‘Paco’ Gento (1933-2022) Met de buitenlanders Di Stéfano, Puskás en Kopa vormde hij het sterrenteam van de ‘Koninklijke’. ‘Paco’ Gento was de Spaanse publiekslieveling bij Real Madrid. Dribbelaar én goalgetter.

Het Olympisch Stadion van Amsterdam in 1962. Linksbuiten Gento geeft de bal voor in de met 5-3 verloren Europa-Cup 1-finale tegen Benfica.
Het Olympisch Stadion van Amsterdam in 1962. Linksbuiten Gento geeft de bal voor in de met 5-3 verloren Europa-Cup 1-finale tegen Benfica. Foto ANP

De meest succesvolle speler van het meest succesvolle voetbalelftal aller tijden is deze dinsdag op 88-jarige leeftijd overleden. „Paco vertegenwoordigt alle waarden waar Real Madrid voor staat”, schrijft de ‘Koninklijke’ in een reactie op zijn dood. „We zijn diepbedroefd.” Op dezelfde website staat de Spaanse voetbalheld afgebeeld met de zes Europa Cups en de kop: ‘Hasta siempre, Gento’.

De pijlsnelle linksbuiten Francisco ‘Paco’ Gento – bijgenaamd ‘de tovenaar van Cantabrië’ – behoorde tot een sterrenteam met de Hongaar Ferenc Puskás, de Fransman Raymond Kopa en tot Spanjaard genaturaliseerde Argentijn Alfredo Di Stéfano. Samen wonnen ze tussen 1956 en 1960 vijf opeenvolgende Europa Cups – een record.

Gento was de enige die er in 1966 bij de volgende Europese bekerzege ook bij was, als aanvoerder intussen. Hij is nog altijd de enige speler die in totaal zes keer de Europa Cup I (nu Champions League) heeft gewonnen. Zijn record met acht Europa-Cupfinales (twee verloren) werd in 2007 geëvenaard door de Italiaan Paolo Maldini van AC Milan.

Met Real behaalde Gento twaalf landstitels. Hij scoorde 182 keer in 600 duels, een zeer hoog gemiddelde voor een aanvaller die geen midvoor was maar een klassieke linksbuiten, spelend met rugnummer 11, meestal in het maagdelijk witte thuisshirt. En dat alles onder toezicht van generalissimo Francisco Franco, bijna bij elke thuiswedstrijd op de eretribune in Estadio Bernabeu.

Vrienden voor het leven

Gento, in 1953 overgekomen van het Noord-Spaanse Santander, werd een clubicoon van Real. Hij was sinds 2016 erevoorzitter van de Madrileense club en volgde daarmee de in 2014 overleden Di Stéfano op. Ze waren vrienden voor het leven, zoals NRC-verslaggever Guus van Holland bij een gezamenlijk bezoek aan Amsterdam in 1998 beschreef in zijn reportage:

„Ze zien er vermoeid uit. Mogelijk van de vele witte wijn en de talloze sigaretten die ze deze warme middag al hebben gebruikt, mogelijk van de tropenjaren die ze als ’s werelds beste voetballers hebben gehad. Alfredo Di Stéfano, bijgenaamd ‘de blonde pijl’, veegt met een zakdoek zijn bezwete voorhoofd af en neemt gretig een sigaret in ontvangst die Gento hem aanbiedt. Vergane glorie in een hoekje, bijna vergeten.

„Tijdens hun wandeling langs de Amsterdamse grachten herkende slechts één man het illustere duo. Een Spaanse toerist vraagt een handtekening van de twee oudjes. Fietsers rijden onverschillig langs het gezelschap of snauwen dat oude mannen niet op straat moeten lopen. Plotseling staat Gento midden op de brug van de Keizersgracht. Een jongen met ontbloot bovenlijf en slechts gehuld in een kort leren broekje komt aanfietsen. Gento gaat voor hem staan, maakt een schijnbeweging met zijn lichaam, eerst links en dan naar rechts, en schopt dan met zijn linkervoet een blikje in de gracht. De jongen schrikt en scheldt de oude man uit. Di Stéfano lacht en applaudisseert. Gento kan het nog steeds!”

Na zijn afscheid in 1971 trainde Gento een aantal kleinere clubs, maar erg succesvol was hij niet in de dug-out. Hij was en bleef de buitenspeler die het publiek in vervoering bracht met zijn dribbels en doelpunten. En record na record vestigde.

Afgelopen zondag evenaarde linksback Marcelo nog een record van Gento: 23 titels met Real. De Braziliaan won in Saoedi-Arabië de Spaanse Supercup, een trofee die in Gento’s tijd nog niet bestond. Alsof het zo getimed was, stierf de meervoudig recordhouder twee dagen later.