Opinie

Ongelijkheid als gevolg van de pandemie verdient alle aandacht

covid-19

Commentaar

Het is een wrange traditie, maar hij blijft relevant. Elk jaar presenteert de ontwikkelingsorganisatie Oxfam-Novib een lijvig rapport over de verhouding tussen arm en rijk in de wereld, aan de vooravond van het World Economic Forum. Deze bijeenkomst, waar macht, vermogen en invloed samenkomen in het Zwitserse Davos, is dit jaar, voor de derde achtereenvolgende maal, virtueel.

De reden voor de bijeenkomst-op-afstand: Covid-19 en alle al dan niet vrijwillige reisbeperkingen die dat met zich meebrengt. Maar het virus trekt intussen ook een spoor van verwoesting door de wereldeconomie. Het Westen komt relatief goed weg. Vaccinatieprogramma’s lopen, overheidssteun heeft de ergste klappen opgevangen en een ruim geldbeleid legt het fundament voor een economisch herstel. De bedrijvigheid in een ruime meerderheid van de gevestigde industrielanden is alweer op het peil van vóór de pandemie – al zal de schade van gemiste welvaartsgroei waarschijnlijk nooit worden ingehaald.

Dat verhindert niet dat de kloof tussen arm en rijk breder is geworden. Oxfam benadrukt dat de rijkste tien mannen (ja, mannen) in de wereld hun gezamenlijke vermogen hebben zien verdubbelen van 700 miljard dollar (610 miljard euro) naar 1.500 miljard dollar. Zij bezitten met zijn tienen nu zes maal zoveel als de onderste 3,1 miljard mensen aan de onderkant van de mondiale vermogensverdeling. Tegelijk zijn er 160 miljoen mensen bijgekomen die moeten rondkomen van 5,5 dollar per dag of minder.

Die vermogensgroei komt niet uit de lucht vallen. De combinatie van extreem lage rentes en economische stimulering heeft bijgedragen aan sterk stijgende beurskoersen en exploderende woningprijzen – niet alleen in Nederland. Dat zorgt voor groeiende vermogensongelijkheid binnen landen: wie vermogen had, heeft nu meer. Wie niets had, heeft nog steeds niets. De kans bestaat dat deze vermogensongelijkheid op termijn de inkomensongelijkheid versterkt.

Op mondiale schaal verkleinde globalisering tot voor kort de verschillen tussen landen. Toetreding tot de wereldeconomie bracht vaak een grote toename in welvaart – met China als bekendste voorbeeld. De pandemie dreigt dit proces in de wielen te rijden. De lange productieketens die over de wereld lopen blijken kwetsbaar, het internationale politieke en economisch klimaat is onzeker. Dat kan er toe leiden dat bedrijvigheid weer dichter bij de eigen markt wordt geplaatst.

Het hemd is nader dan de rok, en dat blijkt te meer uit het antwoord op de pandemie zelf. Landen met een laag of middeninkomen hadden veel minder mogelijkheden voor economische steun, hun kwetsbare munten kunnen een ruim monetair beleid niet aan. De toegang tot vaccins is onvergelijkbaar met die in het Westen, en de gezondheidszorg is niet of nauwelijks adequaat. De schade is dan ook veel groter.

Terwijl in ontwikkelde landen het einde van de pandemie al voorzichtig wordt gevierd, is dat elders veel minder het geval. De littekens, ‘scarring’, zoals de Wereldbank dat noemt, zijn er groter. Dat geldt zeker ook voor gemist onderwijs. Hulp daarbij is niet alleen humaan, het is ook een kwestie van eigenbelang. De rest van de wereld mag geen laboratorium blijven waarin het virus nieuwe mutaties kan blijven uitproberen. Maar vooral: mensen kunnen hulp gebruiken bij een ramp waaraan zij part noch deel hebben, zowel binnen- als buitenlands. Dat vraagt offers, vooral vanaf de bovenste treden van de mondiale vermogensladder. Waar het gros van de Nederlanders zich, misschien tot eigen verbazing, zeer comfortabel bevindt.