Ook woorden kunnen besmettelijk zijn

Gezwateld wordt er al eeuwen. Maar het woord lijkt aan een opmars bezig, ziet . Door sociale media?

Een lezer observeerde dat het woord ‘gezwatel’ in opmars is. De vraag is of dit klopt. Eerst maar eens de betekenis, want die is niet algemeen bekend. Sterker: diegene die het woord inbracht kende het zelf niet. Gezwatel betekent ‘gezwets, geklets’.

Opmerkelijk: de Dikke van Dale vermeldt bij gezwatel „toegevoegd in oktober 2009”. Dit zou erop kunnen wijzen dat we hier met een nieuw woord te maken hebben. Een woord dat tekenend is voor de tijdgeest, want je kunt veilig stellen dat er met de opkomst van sociale media meer wordt gezwateld dan ooit tevoren.

Maar Van Dale vermeldt ook het werkwoord zwatelen – de moeder van gezwatel – en dat blijkt al uit de 16de eeuw te dateren. Oudste betekenis: „zacht ruisen, lispelen (met name van de bladeren der bomen)”. Van Dale meldt erbij dat het hier om „verouderde literaire taal” gaat. De twee andere betekenissen zijn „luid door elkaar praten” en „hoogdravend kletsen”.

Mooie betekenisovergang vind ik dat: van zacht ruisende, lispelende bladeren, naar hoogdravend en luid door elkaar praten; van literaire taal naar die van alledag.

Is het woord gezwatel inderdaad aan een opmars bezig? En zo ja, begon die toevallig in 2009 – het jaar van opname in Van Dale?

Het antwoord is tweeledig. In het literaire Nederlands is er tamelijk constant veel gezwateld. Van Adriaan Loosjes („Neemt u mijn gezwatel niet kwalijk alstublieft”, opgetekend in 1806) tot Sophie Tak („Adelien had verteld dat hij weliswaar af en toe uitbarstte in onsamenhangend gezwatel, maar dat hij verder best aangenaam gezelschap was”, in 2020).

Kranten beschrijven de werkelijkheid van alledag. In hun kolommen zien we een gestage opmars van gezwatel. Een slome start aan het eind van de 19de eeuw, een toename aan het eind van de 20ste eeuw en een corona-achtige piek in de eerste decennia van de 20ste eeuw. Meest recente voorbeeld (en aanleiding voor de lezersvraag): „De ijver voor een inclusief spelalfabet bewijst hoezeer het gezwatel over afkomst en identiteit normaliseert” – een kop in de Volkskrant boven een stuk van Elma Drayer.

In 2009 had het woord al eerder in een kop boven een stuk van Drayer gestaan („Gevaarlijk gezwatel, en nog vergoed ook”). De kans lijkt mij groot dat het om die reden indertijd in Van Dale is opgenomen. Dat stuk stond in Trouw, een krant die goed gelezen wordt door de hoofdredacteur van de Dikke Van Dale.

Inmiddels zien we gezwatel ook vaker in NRC. Van één keer in 1999 (Youp van ’t Hek), vervolgens jaren niet, naar vijf keer in de periode 2019-2021.

Dit soort frequentiestijgingen zijn eenvoudig te verklaren: ook woorden kunnen besmettelijk zijn. Daarom blijft ons advies: houd voldoende afstand, was geregeld je woordenlijst en ventileer je meningen liever lispelend dan luid en hoogdravend, want dat is slecht voor ieders gezondheid.