Opinie

Nergens in het brein een ‘ik’ – hoeft ook niet

Marjoleine de Vos

Het chemische proces dat ik ben, kijkt naar buiten waar de lage winterzon door de takken van de knotwilgen schijnt. De verte is witnevelig, binnen klinkt het pianotrio in Es groot van Schubert, ruim 85 jaar geleden gespeeld door het Busch-trio. Het klinkt een beetje alsof ze in een koektrommel zitten te musiceren, maar oh wat spelen ze hartverscheurend prachtig. Dat denk je dan: hartverscheurend, terwijl er niets verscheurd wordt en zeker je hart niet, maar er zich juist een niet te benoemen geluk van je meester maakt, gewoon om het bestaan nu, op deze zondagmiddag. Mijn bestaan. Maar het lijkt me, een paar minuten lang, op te gaan in hét bestaan, in een geheel van tijden, van winters, van muziek.

Ook W.F. Hermans had al in de gaten dat een mens niet meer is dan een chemisch proces zoals er zoveel zijn, schreef een lezer laatst in een ingezonden brief. Dat hoor je wel vaker. De mens is een gecompliceerd chemisch proces, nog niet geheel doorgrond, maar toch. Er valt nergens in de mens of in het brein een ‘ik’ of een ‘ziel’ aan te treffen. Nee, dat hoeft ook niet. De twaalfde-eeuwse cisterciënzer monnik Willem van Saint-Thierry schreef al dat de ziel wel op een of andere manier bij het lichaam hoorde, „maar zonder dat hij er binnenin zit en daar plek inneemt, of dat hij erbuiten zit en daar plek inneemt”. Met ziel, en dat geldt ook voor bewustzijn of ik, bedoelen we inderdaad iets ongrijpbaars.

De neurowetenschap heeft nog geen antwoord op de vraag wat bewustzijn is. Een bijproduct van hersenactiviteit, zeggen sommige onderzoekers schouderophalend, eigenlijk helemaal niet zo interessant. Grappig. Voor de meeste mensen is het precies dat van waaruit ze leven. Als wat zo belangrijk is voor ons leven niet in een natuurwetenschappelijk model beschreven kan worden, dan volgt daar niet uit dat we het er niet meer over moeten hebben, maar dat de natuurwetenschappen niet geschikt zijn om alles te beschrijven wat een mens is.

Het stempel ‘geen wetenschap’ kan binnen het discours van neuro-onderzoekers functioneel zijn, maar daarom hoeven wij levende mensen ons nog niet onze ervaringen af te laten nemen. De wetenschap kan ons wel wat leren, voor zover we dat niet door zelfonderzoek al hadden vastgesteld: dat er geen continu en onveranderlijk ‘zelf’ in ons zit bijvoorbeeld. Eigenlijk weet iedereen dat wel – wat zeggen de mensen niet vaak dat ze, door een bepaalde gebeurtenis of ervaring, of door de tijd, ingrijpend veranderd zijn. Dat klinkt misschien alsof een eerder vaststaand ‘ik’ nu plaatsgemaakt heeft voor een nieuw exemplaar, maar zo ondergaat of bedoelt eigenlijk niemand dat.

Het is een fluïdum, dat ik-gevoel van ons. En inderdaad, door hersenbeschadiging kan een mens ingrijpend veranderen, dus de materiële basis van de persoonlijkheid is heus wel duidelijk. Maar dat wil nog niet zeggen dat we met chemische (of digitale) processen vereenzelvigd moeten worden.

‘Waar ben ik?’ is de eerste vraag die iedereen zich stelt als-ie bij bewustzijn komt, ook ’s ochtends bij het wakker worden. Soms is het antwoord sneller dan de vraag: hier! In dit bed, in deze tent, op dit ijs waar ik daarnet met mijn achterhoofd tegenaan geknald ben. De vraag zou ook kunnen luiden: waar was ik? Ik, alles wat zich ‘ik’ voelt, was even weg, maar nu is het er weer. Volop.

En ook deze zondagmiddag, lage mist, is het er, het is zich bijna niet van zichzelf bewust, dat is het fijnste, het kijkt naar buiten, het is ontroerd door wat die mannen zo lang geleden speelden en het voelt zich één met alles.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.