Necrologie

Met zijn eclectische houding verenigde architect Ricardo Bofill het modernisme met het classicisme

Ricardo Bofill (1939-2022), architect De Spaanse architect Ricardo Bofill was een van de pioniers van het postmodernisme. Toch heeft hij zich nooit aan één stijl willen binden.

Ricardo Bofills ‘The Pyramid’ in het dorp Le Perthus aan de Frans-Spaanse grens.
Ricardo Bofills ‘The Pyramid’ in het dorp Le Perthus aan de Frans-Spaanse grens. Foto Gregori Civera/ AFP

De Spaanse architect Ricardo Bofill (1939-2022), die afgelopen vrijdag op 82-jarige leeftijd aan de gevolgen van een coronabesmetting overleed in zijn woonplaats Barcelona, was een pionier van het postmodernisme. Maar toen het postmodernisme in de jaren tachtig doorbrak in de westerse architectuur en een beweging werd, distantieerde hij zich ervan. Architectuur moest verbonden zijn met de genius loci, de geest van de plek, legde hij uit in een interview in 2019, en dit betekende voor hem dat hij niet aan één stijl gebonden wilde zijn. Hij beschouwde zichzelf daarom niet als een postmodernist, maar als een architect die het beste van modernisme verenigde met het beste van het traditionalisme en classicisme. Met deze eclectische houding ontwierp Bofill met zijn Taller de Arquitectura ongeveer duizend uiteenlopende gebouwen. Zo bouwde hij in de jaren negentig in zijn woonplaats Barcelona onder meer het Nationale Theater van Catalonië in de vorm van een modern-Dorische tempel en de wit-modernistische Terminal 1 en 2 van het plaatselijke vliegveld.

Architect Ricardo Bofill tijdens een interview in Parijs in 1975.

Foto AFP

De in Barcelona geboren Bofill, zoon van een architect, was een product van de tegencultuur van de jaren zestig. Al in 1957 werd hij van de Hogeschool voor Architectuur in Barcelona gestuurd wegens zijn verzet tegen de dictatuur van generaal Franco. Na de voltooiing van zijn architectuurstudie in Genève en enige jaren op het architectenbureau van zijn vader te hebben gewerkt, begon hij in 1963 de Ricardo Bofill Taller de Arquitectura (RBTA). Vanuit de overtuiging dat architectuur niet alleen een kwestie is van functioneel ontwerpen maar ook maatschappelijke betekenis heeft, zette hij zijn architectuurstudio op als een collectief van architecten, dichters, filmmakers en sociologen.

Het appartementengebouw Walden 7 ontworpen door Ricardo Bofill in Sant Just Desvern nabij Barcelona uit 1975.
Foto GREGORI CIVERA/ AFP
Het appartementengebouw La Muralla Roja van Ricardo Bofill in Manzanera, Calpe, Spanje uit 1973.

Grimmigheid

RBTA, gevestigd in een oude cementfabriek in Barcelona, zette zich af tegen het technocratische modernisme dat toen overheersend was in de West-Europese architectuur. De eerste gebouwen van RBTA hebben hun wortels in de regionale architectuur of in de natuurlijke omgeving. Zo is Xanadu (1971), een ‘verticale tuinstad’ in Calpe aan de Costa Bianca, een opeenstapeling van traditionele Zuid-Spaanse huisjes en oogt La Muralla Roja (1973) in dezelfde stad als een kruising tussen een oud Spaans kasteel en een Noord-Afrikaanse kasba.

Met zijn woningbouw in de banlieue van Parijs brak Bofill in de jaren tachtig internationaal door. Hierbij greep hij vooral terug op de stijl van Franse neoclassicistische architecten als Claude-Nicolas Ledoux (1736-1806). In Les Espaces d’Abraxas werd Bofills neoclassicisme zo hard en ongenaakbaar dat het enorme complex van 600 woningen uit 1982 in Noisy-le-Grand in grimmigheid nauwelijks onderdoet voor de eerdere modernistische woontorens en -dozen in de geest van Le Corbusier in de Parijse banlieue. Les Espaces d’Abraxas werd dan ook twee keer gebruikt in dystopische sciencefictionfilms, eerst in Brazil van het ex-Monty Python-lid Terry Gilliam uit 1985 en dertig jaar later The Hunger Games: Mockingjay Part 2.

Hoewel Bofill ernaar streefde om zichzelf bij elke opdracht opnieuw uit te vinden, was het Franse neoclassicisme in de jaren na 1980 zijn favoriete stijl. Die gebruikte hij ook in zijn enige Nederlandse project, de buurt met 423 woningen die in het begin van de 21ste eeuw werd gebouwd in Den Haag op de plek waar eens het stadhuis stond op het Burgemeester de Monchyplein. Hier gaf hij verschillende appartementengebouwen en woontorens klassieke tempelfrontons.