Japanse filmklassiekers waarbij je twee zakdoeken nodig hebt, soms drie

Japanse film Shochiku was decennialang dé filmstudio van wat Japanners „home drama” noemen. Films die zonder te veel sentimentaliteit de schoonheid van vergankelijkheid belichten.

Yasujiro Ozu volgt in zijn laatste zwart-witfilm Tokyo Twilight (1957) twee zussen die worstelen met een afwezige moeder, ongewenste zwangerschap en huwelijksperikelen.
Yasujiro Ozu volgt in zijn laatste zwart-witfilm Tokyo Twilight (1957) twee zussen die worstelen met een afwezige moeder, ongewenste zwangerschap en huwelijksperikelen. Foto Shochiku/The Japan Foundation

Japanse filmstudio’s hadden in hun hoogtijdagen tussen de jaren twintig en zestig allemaal een eigen gezicht – een kwestie van genre, stemming, doelgroep, smaak. Nikkatsu was na de oorlog gespecialiseerd in jeugdige actiefilms, Toei in gangsterfilms (vaak ook gefinancierd door de yakuza, de Japanse maffia), Toho in samuraifilms (met Akira Kurosawa als hun voornaamste regisseur) en komedies. Shochiku was de studio van wat Japanners „home drama” noemen, familiedrama’s, dikwijls sentimenteel (men sprak over ‘twee- of driezakdoekenfilms’, al naar gelang er kon worden gehuild), vaak over wat vroeger kleine luiden werden genoemd, mensen in de armere buurten van Tokio of Osaka. Een aantal van de beste films van Shochiku zal worden vertoond in het Eye Filmmuseum in Amsterdam, kort na de heropening van de bioscopen.

‘Typisch Japans’

De meester van de home drama’s was Yasujiro Ozu (1903-1963). Maar zijn geniale films over het Japanse familieleven – Tokyo Story (1953), Early Spring (1956), etc. – overstijgen het genre. Ozu was nooit sentimenteel. Hij gebruikte de banale familieverhalen over huwelijken, problemen op kantoor of botsingen tussen ouders en kinderen, om karakters uit te diepen. Japanners zeggen vaak dat Ozu zo „typisch Japans” is, dat buitenlanders zijn films nooit zouden kunnen begrijpen. Zijn verstilde, sobere stijl wordt weleens met zen vergeleken. Het duurde daarom vrij lang voordat de studio zijn films in het buitenland wilde vertonen. Maar in tegenstelling tot wat Japanners dachten, blijft Ozu ook buiten Japan een van de meest gevierde regisseurs in de filmgeschiedenis.

Wat niet veel mensen weten – ook niet in Japan – is dat Shochiku noch Ozu begon met het maken van „typisch Japanse” films. Die sobere, minimalistische stijl van Ozu kwam pas na de oorlog. In de jaren twintig maakte hij komedies, zogenaamde nonsensu mono, op de manier van slapstickfilms in Hollywood.

Fatalistisch

Shochiku werd in 1920 opgericht in navolging van het Hollywoodsysteem. ‘Henry’ Kotani, een van de eerste Shochikuregisseurs, die ervaring had opgedaan in Hollywood sprak op de filmset Engels tegen zijn acteurs – die er geen woord van verstonden. Hij dacht dat dat zo hoorde bij het draaien van een rolprent.

Mikio Naruse (1905-1969), de andere grote filmer van ongeveer dezelfde leeftijd als Ozu, later bekend om zijn zwartgallige films over vrouwen die verstrikt raken in hopeloze relaties, maakte eerst ook nonsensu mono. Niet alle lachfilms troffen doel bij het grote publiek. Men vond ze „te Amerikaans”.

Shoji Sugiyama (Ryo Ikebe) en zijn vrouw Masako (Chicage Awashima) in Early Spring.

De studio begon zich in de jaren dertig meer toe te leggen op films over de perikelen van mensen in de volkswijken. Het leven dat in deze films wordt getoond is nog heel traditioneel. De tofoemakers, noedelverkopers, winkelmeisjes en timmerlieden maken veel ruzie maar hebben harten van goud. De shomingeki, letterlijk „verhalen van kleine luiden”, ademen een verlangen naar een eenvoudiger, warmer, gezelliger Japan dat nauwelijks meer bestaat in een samenleving van torenflats en grote moderne bedrijven. De vraag is of het überhaupt ooit op die manier heeft bestaan.

De beroemdste films van Ozu, uit de jaren veertig en vijftig, gaan niet meer over tofoemakers en timmermannen, maar over beter gesitueerde families in de buitenwijken; de vaders hebben goede banen in een bedrijf, de dochters hebben gestudeerd en werken tot zij (of zij willen of niet) gaan trouwen. Het contrast tussen een ouder, traditioneler Japan en het bestaan in de industriële samenleving, waar mensen minder tijd voor elkaar hebben, is ook in deze films een vast thema. Maar Ozu is geen nostalgicus.

Lees ook: De grootste poëet van het alledaagse leven

Zijn films zijn minder tragisch dan die van Naruse, en ook niet echt pessimistisch. Misschien is fatalistisch de beste manier om zijn werk te beschrijven. Het leven is vaak droevig, mensen krijgen meestal niet precies wat ze willen, geluk duurt altijd maar kort, en aan alles komt een einde. Maar juist in de acceptatie van ons lot zit een zekere schoonheid. Met zen heeft dit weinig te maken, meer met wat Japanners mono no aware noemen, de trieste schoonheid van de vergankelijkheid der dingen.

Bij mindere regisseurs kan dit esthetische fatalisme gemakkelijk leiden tot zoetsappigheid, vandaar die driezakdoekenfilms. Maar niet bij Ozu, Naruse, of Gosho. Wel soms bij Keisuke Kinoshita, die uitblonk in satire en humor, maar in zijn meest geliefde melodrama’s kon rekenen op minstens twee zakdoeken bij het grote publiek.

Actie en rebellie

In de late jaren zestig was het min of meer afgelopen met het Japanse studiosysteem. De studio’s konden niet op tegen de populariteit van de televisie. Een nieuwe generatie filmmakers, opgegroeid met politiek protest, studentenrevoltes en een hang naar seksuele vrijheid, wilde films maken buiten de oude studio’s, vaak met een sterke politieke inslag.

Regisseurs zoals Nagisa Oshima, Masahiro Shinoda en Shohei Imamura hadden geen boodschap aan het tedere humanisme van een Ozu. De schoonheid van berusting in het menselijk lot was aan hen niet besteed. De typische Shochiku-smaak, de nostalgie naar traditionele kleine luiden, was in hun ogen hopeloos conservatief. Zij wilden verandering, actie, rebellie.

Early Spring (1956) van Yasujiro Ozu gaat over overspel en het leven van de onderbetaalde kantoormens.

Oshima, Imamura, en Shinoda zijn alle drie begonnen als assistenten in de Shochiku-studio, onder meer van Ozu. Zo hebben zij hun vak geleerd. En later hebben zij hun meesters ook wel degelijk geëerd. Maar hun fascinatie met misdaad en seksualiteit, en hun soms opzettelijk woeste manier van filmen, waren een trap tegen de traditie die Shochiku veertig jaar lang had gekoesterd. Dat was ook goed zo. Aan alles komt een einde.

Maar het was nog niet helemaal voorbij met de Shochiku-smaak. De studio heeft sinds 1969 nog bijna dertig jaar geteerd op de eindeloze serie films Otoko was Tsurai Yo (Het leven van een man is hard). De hoofdpersoon is Tora-san, vertolkt door Kiyoshi Atsumi. Hij is een soort Japanse Swiebertje, een ruwe bonk met een hart van goud, die leeft in zo’n typische oude volksbuurt die niet meer bestaat, en het publiek ontroert met een lach en een traan. Shochiku bestaat nog als distributeur van animefilms. Op de plek van de oude filmstudio buiten Tokio staat nu een huishoudschool. Als een van de belangrijkste producenten van Japanse speelfilms is Shochiku ten onder gegaan als een karikatuur van zichzelf.