Is het verraad van Anne Frank wel echt opgelost?

Joodse notaris Een ‘coldcaseteam’ wijst een Joodse notaris aan als de vermoedelijke verrader van de familie Frank. Historici reageren kritisch.

Het briefje waarin notaris Van den Bergh werd beschuldigd, en dat het onderzoek deed kantelen.
Het briefje waarin notaris Van den Bergh werd beschuldigd, en dat het onderzoek deed kantelen. foto Monique koemans

Is het verraad van het Achterhuis dan eindelijk opgelost? Generaties onderzoekers bogen zich over een vraag die nooit werd beantwoord: wie tipte in augustus 1944 de Duitse bezetters over de onderduikplek van Anne Frank en haar familie? Een internationaal ‘coldcaseteam’ claimt na zes jaar onderzoek de vermoedelijke verrader te hebben gevonden. De man die de Duitse autoriteiten tipte over de verblijfplaats van de familie Frank, zegt het team, was „zeer waarschijnlijk” de Joodse notaris Arnold van den Bergh.

Het is een opmerkelijke conclusie – de naam Van den Bergh stond, hoewel bekend, nooit bovenaan de lijstjes van mogelijke verraders. De onderzoekers kwamen via moderne politiemethodes bij hem uit, zo staat beschreven in het boek Het verraad van Anne Frank van de Canadese auteur Rosemary Sullivan.

Keihard bewijs hebben ze niet, en de notaris kan zich niet meer verweren: hij overleed in 1950. Maar als er één iemand kennis, motief en gelegenheid had om het verraad te plegen, zo redeneert het team, dan was dat Van den Bergh.

Klopt de beschuldiging ook? Nederlandse deskundigen op het gebied van de jodenvervolging reageren nu voor het eerst op de primeur, die tot maandagochtend een strikt embargo had. En hoewel ze bewondering hebben voor de inspanningen van het coldcaseteam, zijn ze zeer kritisch over de bevindingen. De redeneringen van het team zijn vergezocht, zeggen ze, of gebaseerd op onjuiste veronderstellingen.

Hun voornaamste kritiek: het bewijsmateriaal is te dun. „De onderzoekers hebben hard gewerkt en in alle hoeken en gaten gekeken, daar wil ik niets aan afdoen”, zegt Johannes Houwink ten Cate, onderzoeker aan het Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies NIOD en hoogleraar holocaust- en genocidestudies aan de Universiteit van Amsterdam. „Maar bij grote beschuldigingen horen grote bewijzen. En die zijn er niet.”

Afschrift van het briefje

De kritiek van de historici richt zich niet zozeer op het pièce de résistance van het coldcaseteam: het anonieme briefje. Kort na de bevrijding ontving Otto Frank, de vader van Anne, een anoniem schrijven, waarin Van den Bergh als de verklikker van diens onderduikadres werd getipt.

Het bestaan van het briefje was bekend: onderzoekers David Barnouw en Gerrold van der Stroom noemden het bijna twintig jaar geleden al kort in hun boek Wie verraadde Anne Frank? Maar nu hebben de onderzoekers in oude politiedossiers een afschrift gevonden, getypt door Otto Frank. Een „prachtige vondst”, zegt historicus Gertjan Broek van de Anne Frank Stichting, die het verraad al eens eerder onderzocht. Hij vindt het onderzoek van het coldcaseteam „zeer zeker een compliment waard”.

Alleen: de gehele verdenking baseren op één anoniem briefje – zelfs al heb je een afschrift in handen – is ook „heel speculatief”, vindt Houwink ten Cate. Volgens het coldcaseteam wist Frank dus wie de verrader was, maar wilde hij niet dat diens naam bekend werd.

In het boek van Sullivan wordt uitgebreid ingegaan op de motieven die Frank daarvoor gehad zou hebben. Hij wilde de kinderen van Van den Bergh niet belasten en bovendien vreesde hij dat de Joodse achtergrond van de verrader het antisemitisme in de kaart zou spelen. „Vrij gortig”, noemt Houwink ten Cate die redenering. „Zou het feit dat het een Jood was voor Otto Frank écht zwaarder hebben gewogen dan de behoefte om een medeschuldige aan de moord op zijn gezin te vinden?”

Historicus David Barnouw, die als eerste over het briefje schreef, „stond wel open voor het idee dat er meer zou worden gevonden” over het verraad van het Achterhuis. Maar de conclusies zijn „te kort door de bocht”, zegt hij. „De onderzoekers schrijven dingen als: ‘Het was best denkbaar dat...’ of ‘Het team achtte de kans groot dat...’ En in het laatste hoofdstuk moet Van den Bergh hangen.”

Adreslijsten

De scherpste kritiek hebben de historici op de centrale rol die de Joodse Raad in de bewijsvoering krijgt toebedeeld. Als vooraanstaand notaris was Van den Bergh lid van dit zeer omstreden orgaan, dat door de Duitsers werd ingezet voor de deportatie van de Nederlandse Joden. Hierdoor zou hij toegang gehad hebben tot een of meerdere lijsten met onderduikadressen van Joden, die hij aan de Duitsers overhandigd zou hebben toen hij in 1944 zelf op transport gezet dreigde te worden. Het adres van de familie Frank stond op zo’n lijst.

Alleen: voor het bestaan van die adreslijsten bestaat geen enkel bewijs, zegt Johannes Houwink ten Cate. „In vijfendertig jaar onderzoek ben ik daar nog nóóit iets over tegengekomen.” De Leidse historicus Bart van der Boom, van wiens hand in april een boek verschijnt over de Joodse Raad, gaat nog een stap verder. Hij noemt het „onbegrijpelijk” en „schandalig” dat de onderzoekers hun beschuldiging baseren op een verhaal dat „volkomen onzin” is. „Wat ze aanvoeren aan bronnen voor het bestaan van die lijsten is echt flinterdun, en veel te weinig om iemand wereldwijd te brandmerken als de verrader van Anne Frank.” Ook vindt Van der Boom dat niet aannemelijk wordt gemaakt hoe de Joodse Raad aan de adressen kwam.

De passages over de Joodse Raad in het boek, zegt Van der Boom, staan sowieso „tjokvol fouten”. Zo schrijft Sullivan dat de raad lijsten opstelde wie er op transport gesteld moest worden. Van der Boom: „Het is al lang bekend dat dit onwaar is. Het is een mythe die na de oorlog verspreid is door Duitsers die zichzelf wilden vrijpleiten.”

Motieven

Een ander mikpunt van kritiek vormen de motieven die de onderzoekers aan de verdachte notaris toeschrijven. Als Van den Bergh beschikte over zo’n lijst, waarom heeft hij de Duitsers dan pas in de zomer van 1944 getipt over de familie Frank – bijna een jaar na de ontbinding van de Joodse Raad?

Het coldcaseteam denkt dat Van den Bergh de lijsten achter de hand hield, als ‘wisselgeld’ voor als hij zelf in gevaar dreigde te komen. Ongeloofwaardig, zegt Johannes Houwink ten Cate. „In de zomer van 1944 zat Van den Bergh inmiddels zelf in de onderduik, zoals we weten uit het proefschrift van Petra van den Boomgaard. Waarom zou je vanuit de onderduik in het gevlij willen komen bij de Duitsers? Dan vestig je alleen maar de aandacht op je.”

Kwesties van verraad tijdens de bezetting zijn „zo goed als onoplosbaar”, zegt Houwink ten Cate. „Ik raad mensen altijd af om erin duiken. Na de oorlog zwegen de schuldigen, en 95 procent van de archieven over de jodenvervolging werd door de nazi’s vernietigd. Je krijgt het niet rond.”

David Barnouw houdt, ook na lezing van het nieuwe onderzoek, vast aan zijn theorie van twintig jaar geleden: de verrader was vermoedelijk iemand uit de buurt die iets heeft gezien. „Ik acht de kans klein dat het definitieve antwoord ooit wordt gevonden.”