Wie profiteert het meest van (bijna) gratis kinderopvang?

Kinderopvangstelsel De kinderopvang voor werkende ouders wordt vrijwel gratis, belooft het nieuwe kabinet. Minder ingewikkeld, gelijkere kansen. Maar hebben alle ouders en kinderen er baat bij?

De kinderopvang Kids2b in Delfzijl. Deze week is er het thema ‘welkom’. Veel kinderen zijn na de kerstvakantie deze week weer voor het eerst op de kinderopvang.
De kinderopvang Kids2b in Delfzijl. Deze week is er het thema ‘welkom’. Veel kinderen zijn na de kerstvakantie deze week weer voor het eerst op de kinderopvang. Foto Kees van de Veen

Een blond jongetje, nog geen 4 jaar oud, kijkt naar buiten. Voor hem staat een bord, de boterham met kaas in stukjes gesneden. „Mamma”, zegt hij. „Ja, jouw mamma komt zo, om één uur al”, zegt kinderopvangleidster Miranda Kuipers.

„Mijn pappa komt”, fluistert een ander jongetje, zwart haar, even verderop aan de tafel. Voor hem ook een bord met stukjes boterham. Het blonde jongetje kijkt op naar Kuipers. „Nee, jouw pappa niet, hè. Die is aan het werk.” Rustig eet hij verder.

Kinderopvang Kids2b, aan de Waddenweg in Delfzijl, maandagmiddag. Op de groep van Kuipers en haar collega’s dartelen negen peuters en dreumesen rond. Twee meisjes, te oud voor het middagdutje, halen een houten regenboog uit elkaar. Het ruikt naar verschoonde luiers.

De ouders die hier vanochtend hun kind naartoe brachten, betalen voor de zorg van Kids2b allemaal iets anders. Maar als het aan het nieuwe kabinet ligt, verandert dat. De kinderopvang moet grotendeels gratis worden, zo staat in het regeerakkoord. Alle werkende ouders moeten in de toekomst 95 procent van de kosten vergoed krijgen.

Nu betalen de vermogendste ouders het meest. Ouders met een gezamenlijk jaarinkomen van ruim boven de ton krijgen van de overheid een derde van de kinderopvangkosten vergoed. Die subsidie neemt toe naarmate het inkomen van de ouders lager is. Wie het minst te besteden heeft, krijgt bijna alles vergoed: 96 procent.

Kansengelijkheid

Dat wil het kabinet nu dus gelijktrekken. De nieuwe regeling moet het ouders makkelijker maken om werken te combineren met zorgen. Ook hoopt het kabinet zo „een goede start voor ieder kind” te organiseren. In bredere zin, zo valt in het regeerakkoord te lezen, moeten de investeringen in kinderopvang de kansengelijkheid vergroten.

Het omstreden toeslagensysteem verdwijnt. De subsidie gaat voortaan direct naar kinderopvanginstellingen, in plaats van de ouders. Zo wil het kabinet voorkomen dat mensen „verdwalen in de ingewikkelde regelingen of te maken krijgen met hoge terugvorderingen”, zoals tienduizenden ouders ten onrechte overkwam in de Toeslagenaffaire.

De nieuwe vergoeding wordt stapsgewijs ingevoerd. Vanaf 2025 wordt er fors geld voor vrij gemaakt, blijkt uit de financiële toelichting bij het regeerakkoord. Op termijn moet kinderopvang zelfs helemaal worden vergoed.

Wie gaat er het meest profiteren van deze (bijna) gratis kinderopvang?

Strikt financieel zijn dat de hoge en middeninkomens. Zij zijn straks immers minder geld kwijt aan kinderopvang, waar naast de opvang van baby’s en peuters ook de buitenschoolse opvang toe wordt gerekend. „Een cadeautje voor de hogere inkomens”, noemt econoom Lucy Kok het voorstel dan ook. Voor economisch onderzoeksbureau SEO deed Kok uitgebreid onderzoek naar het Nederlandse kinderopvangstelsel.

De allerlaagste inkomens gaan er onder de nieuwe regeling juist op achteruit, omdat zij dan één procentpunt minder vergoed krijgen.

Het huidige toeslagenstelsel kent overigens nog een extra drempel: de overheid vergoedt de kosten voor kinderopvang tot een maximaal uurtarief. Veel kinderdagverblijven berekenen echter hogere tarieven. Bij Kids2b bijvoorbeeld kost een uur dagopvang – voor kinderen van 0 tot 4 jaar – 9,05 euro. De overheid gaat uit van hooguit 8,50 euro. Zelfs in gezinnen die recht hebben op de hoogste vergoeding, kan de kinderopvang zo nog een aardige kostenpost zijn.

Foto Kees van de Veen
Foto Kees van de Veen
Foto Kees van de Veen

Werkende ouders

Uit de sector komt kritiek op het voornemen alleen werkende ouders toegang tot bijna gratis kinderopvang te geven. „Ook ouders die niet werken, zouden er recht op moeten krijgen, zodat ieder kind naar de opvang kan”, zegt Loes Ypma, voorzitter van de Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang. Ouders die niet werken hebben, nu en straks, geen recht op financiële steun als ze hun kind naar de opvang willen brengen. Zij kunnen wel bij de gemeente aankloppen als opvang nodig is om ‘sociale’ en/of ‘medische’ redenen.

De Sociaal-Economische Raad (SER), een belangrijk adviesorgaan van regering en parlement met vertegenwoordigers van werkgevers, bonden en onafhankelijke deskundigen, pleit al langer voor een ‘universeel’ kinderopvangsysteem. Kinderen van wie één of beide ouders niet werken moeten ook recht op kinderopvangtoeslag krijgen, vindt de SER, mede omdat het ouders dan in staat stelt om te werken. In een brief aan informateur Hamer herhaalde de SER die oproep afgelopen zomer.

Voor moeders zou gratis kinderopvang emanciperend werken, verwacht belangenorganisatie Women Inc., omdat zij nog altijd het grootste deel van de zorgtaken op zich nemen en mede daardoor vaak in deeltijd werken. „Zes op de tien stellen zeggen de taken thuis eerlijk te willen verdelen”, zegt Ody Neisingh van Women Inc. „Slechts één op de zes lukt dat nu.” Uit verschillende onderzoeken blijkt dat het huidige kinderopvangsysteem vrouwen belemmert om meer te werken, vertelt ze.

Óf ouders echt (meer) gaan werken als ze makkelijker toegang krijgen tot kinderopvang, is overigens onduidelijk. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) liet eind 2020 diverse scenario’s voor kinderopvang doorrekenen, van het huidige systeem tot aan volledig gratis opvang. Wat het effect op de arbeidsparticipatie zal zijn, vonden de onderzoekers lastig vast te stellen, omdat het om een „grote stelselwijziging” gaat.

Onderzoeksbureau SEO ondervroeg onlangs ouders naar hun redenen om wel of geen gebruik te maken van (gratis) kinderopvang. Hun antwoorden geven al iets meer zicht op de mogelijke effecten. Bijna gratis kinderopvang heeft wél invloed op de arbeidsparticipatie van hoogopgeleide, maar níét op die van laagopgeleide moeders, is de conclusie. Die laatsten hebben immers al recht op bijna gratis kinderopvang als ze gaan werken – ervan uitgaande dat ze met hun werk dan weinig verdienen. Wel zouden laagopgeleide moeders zonder werk hun kind vaker naar de opvang sturen als die gratis is.

In Nederland wordt relatief weinig gebruik gemaakt van kinderopvang. Nul- tot tweejarigen gaan gemiddeld zestien uur per week naar de opvang. Het gemiddelde in de OESO, de club van rijke, geïndustrialiseerde landen, ligt op dertig uur per week. Kinderen van laagopgeleide ouders maken nu het minst gebruik van kinderopvang, toont het SEO-onderzoek. Zij denken vaker dat „de baten van de opvang niet opwegen tegen de kosten”.

Goede voorbereiding

Om de vraag te beantwoorden wie van (bijna) gratis opvang voor kinderen van werkende ouders gaat profiteren, moet nog een perspectief aan bod komen: dat van het kind zélf. Want kinderopvang is meer dan alleen een arbeidsmarktinstrument.

Voor alle kinderen, zeggen betrokkenen, zou het goed zijn om naar de opvang te gaan. Daar leren kinderen belangrijke vaardigheden, wijzen onderzoeken uit. Zo is het goed voor de „cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van jonge kinderen”, schrijft de SER in zijn advies. Ook is het een goede voorbereiding op de basisschool.

„Dat hoor ik wel eens terug van de kleuterjuffen, over kinderen die niet naar de opvang zijn geweest”, vertelt Brenda Ampak, pedagogisch medewerker op de kinderopvang in Delfzijl. „Soms zijn die kinderen nog niet zindelijk, weten niet hoe ze hun jas moeten ophangen. Of ze hebben niet eerder samen met andere kinderen gespeeld.”

Ze staat vandaag in een „behoorlijk stille groep”, zegt Ampak, wijzend naar het tiental kinderen dat ze deze middag met twee collega’s onder haar hoede heeft. En inderdaad: de kinderen in de bouwhoek, die aan tafel – ze zijn samen aan het spelen, maar met of tegen elkaar praten doen ze nauwelijks. „Één jongetje”, zegt Ampak, „heeft zelfs nog niks gezegd hier. Thuis praat hij wel, in zijn moedertaal.” Het duurt soms even, zegt Ampak, „maar ik weet zeker dat hij binnenkort Nederlands gaat spreken”.

Op deze peuterspeelgroep begeleidt Ampak veel kinderen met een taalachterstand. Ze komen onder meer uit asielzoekerscentra – in Delfzijl zijn er momenteel twee locaties. Veel van haar werk is gericht op de taalontwikkeling. Elke dag begint ze met een kringgesprek, over de dag van de week, het weer.

Ook is er een thema. Deze week is dat ‘welkom’. Veel kinderen zijn na de kerstvakantie vandaag weer voor het eerst op de kinderopvang. Op een bord hangen tekeningen die het thema verbeelden, zoals een meisje dat haar jas uittrekt.

Met hun educatieve opzet onderscheiden peuterspeelgroepen zich van de ‘gewone’ dagopvang. Daar is geen speciaal leerprogramma, al wordt wel met de kinderen gelezen en gezongen. Nog een verschil: kinderen kunnen de hele werkdag op de dagopvang blijven. De peuterspeelgroep is slechts voor een paar uur per dag.

Foto Kees van de Veen
Foto Kees van de Veen
Foto Kees van de Veen

‘Tussenstap’

De kinderen op de groep van Ampak hebben bijna allemaal een indicatie voor ‘voor- en vroegschoolse educatie’. Die is toegekend omdat ze risico lopen op een onderwijsachterstand. Ouders van deze ‘risicokinderen’ kunnen aanspraak maken op subsidie, óók als ze niet werken. Vanaf hun tweede jaar zijn deze kinderen welkom op de groep. Ze blijven er tot ze naar de basisschool gaan.

De SER zou graag zien dat kinderen met en zonder taalachterstand bij elkaar op de opvang zitten, onder meer omdat de kinderen met achterstand daar baat bij hebben. Daarnaast, zegt Ypma van Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang, is de kwaliteit van die opvang nu vaak hoger dan die van de gemiddelde dagopvang. „Het is natuurlijk goed dat in achterstanden wordt geïnvesteerd. Maar ons ideaal is dat alle kinderen bij elkaar worden gezet.”

Toch ziet ze de plannen van het nieuwe kabinet als een goede „tussenstap”. Ze hoopt dat het de weg is naar een opvangsysteem waar álle kinderen terecht kunnen, „ongeacht het werk en inkomen van ouders”.