Opinie

De afschaffing van de nacht toont de dominantie van de burgerman

Floor Rusman

Al dagen word ik wakker met Give Me The Night in mijn hoofd, een funk-soulnummer uit 1980 waarin George Benson de nacht bezingt. Iedereen komt naar buiten om te dansen, zingt hij, want er is muziek in de lucht en liefde overal.

Het liedje maakt me vrolijk, want de nacht is iets bijzonders. Het is meer dan de uren tussen twaalf en zes. De nacht voelt als een plek, een schuilplaats: alsof het minder uitmaakt wat er in die holte (het holst van de nacht) gedaan en gezegd wordt.

Bensons liedje maakt me ook weemoedig, want de nacht is in Nederland al bijna twee jaar afgeschaft. Het afgelopen jaar was de horeca twee weken geopend na middernacht: de laatste week van juni en de eerste van juli. Toen schrok het vorige kabinet zó van de ‘Dansen met Janssen’-piek dat het de deuren om twaalf uur dichtsloeg, om ze nooit meer te openen.

Op zich is de nachthoreca een logisch slachtoffer van maatregelen. Veel mensen op elkaar, alcohol erbij: een feest voor het virus, zou Hugo de Jonge zeggen. Toch moet er meer aan de hand zijn, want in de landen om ons heen kon je grote delen van de tijd wél na twaalven dansen of aan de bar hangen. Kennelijk vinden ze dat in Engeland, Frankrijk, Spanje, Italië, België en Duitsland belangrijker dan hier. Onlangs vertelde ik een aantal Duitsers over onze nachtsluiting (locatie: een Berlijns café, tijdstip: half twee ’s nachts), en zij waren geschokt – een contrast met het gebrek aan verontwaardiging in Nederland.

Mijn hypothese: de afschaffing van de nacht toont de Nederlandse dominantie van de burgerman. De meerderheid wil hier vooral graag winkelen en uit eten kunnen; wat er na middernacht gebeurt zal ze een zorg zijn.

Dat de burgerman de baas is blijkt ook uit de discussie over wie het meest lijdt onder de coronamaatregelen. Uitgaan, dansen en nieuwe mensen ontmoeten schijnt uitsluitend iets te zijn voor jongeren. Onder de dertig ben je volgens het gangbare narratief een vlinder, bezig met socializen en experimenteren. Daarna stolt je leven. Je hebt je gezin, je koophuis, je vaste clubje vrienden; daarmee zit je op cruise control de rit uit. Aan nieuwe ervaringen heb je geen behoefte meer, aan dansen al helemaal niet. Veel te vermoeiend!

Ook het gesprek over de psychische schade van lockdowns verloopt langs deze lijnen. Hoewel uit CBS-onderzoek blijkt dat met name jongeren en alleenstaanden lijden onder de pandemie, wordt enkel die eerste groep doorgaans genoemd. Er mogen dan drie miljoen eenpersoonshuishoudens zijn in Nederland, in de wereld van de burgerman bestaan zij niet. Net zo min, trouwens, als jonge ouders die snakken naar een nachtje escapisme of extraverte vijftigers die opbloeien op borrels en feestjes – gewoon omdat er bij dat soort gelegenheden, en zéker in het holst van de nacht, nog wel eens iets onverwachts gebeurt. You need the evening action, zoals George Benson, toen 37, zong. Niet iedere dertigplusser is sociaal uitbehandeld.

Maar eigenlijk doet het er niet eens toe om hoeveel mensen het precies gaat. Al waren het er heel weinig, dan nog zouden ook zij recht moeten hebben op hun eigen levensstijl. Maar dat is het lastige in deze pandemie: meer dan ooit geldt nu de macht van het getal. De meerderheid bepaalt het beleid. Het kabinet zal nooit zeggen: „Om de nachtmensen tegemoet te komen, is de horeca tijdens deze nieuwe lockdown alleen geopend tussen 23.00 en 3.00 uur.” Er zijn simpelweg veel meer mensen blij te maken met een bezoekje aan Kinki Kappers, Fit For Free of de Blokker.

Bij de persconferentie deze vrijdag werd de nacht weer niet genoemd. Niet dat ook maar iemand verwacht had dat clubs weer zouden opengaan, natuurlijk. Maar het was leuk geweest als Rutte of Kuipers had gezegd: lieve nachtmensen, bedankt voor het geduld. Binnenkort kunnen jullie weer dansen, nieuwe vrienden maken, alle tapbieren uitproberen, of wat voor geks je ook maar wil doen in de holte van de nacht.

Floor Rusman (f.rusman@nrc.nl) is redacteur van NRC