Opinie

Orwell als antiracist

Frits Abrahams

In tijden van verhitte discussies over racisme zou je meer aandacht verwachten voor Burmese Days, de roman uit 1934 van George Orwell. „Wás het maar zo!”, schreef Alfred Birney op de achterflap van Birmaanse dagen, de knappe Nederlandse vertaling van Anneke Brassinga uit 1975, herdrukt in 2018.

Ik kocht die herdruk onlangs in de ramsj; kennelijk was het geen groot commercieel succes geworden. Van Orwell had ik eerder veel gelezen, maar niet al zijn romans. „Als je dit boek leest”, schreef Birney, „dan lijkt het wel alsof de Engelsen octrooi op racisme bezitten. Dat is niet zo. Nederlandse romanschrijvers hielden het alleen wat netter.”

Daar had Orwell geen enkele behoefte aan. Hij had onder zijn echte naam – Eric Blair – van 1922 tot 1927 als jonge politieman voor de Britse Imperial Police in Birma gewerkt en was geschokt huiswaarts gekeerd. Daar besloot hij af te rekenen met het van racisme doordrenkte Britse koloniale regime in Birma, het huidige Myanmar.

Het resulteerde in een snoeiharde roman, waarin Orwell de hele witte Britse elite, zoals die zich manifesteert in een provinciestadje, onderuithaalt. Hij doet dat overtuigend met indringende beschrijvingen van de sfeer, de ondraaglijke hitte en het nog ondraaglijker hypocriete gedrag van de Britten.

„Wij Engelse kolonialen zouden misschien bijna te verdragen zijn als we er gewoon voor uitkwamen dat we een stelletje dieven zijn en gewoon bleven stelen, zonder mooie praatjes.” Dat zegt het hoofdpersonage, John Flory, een Engelse houthandelaar en een soort alter ego van Orwell. Net als Blair behoort Flory tot die door hem verafschuwde elite. Maar waar Flory uiteindelijk ten onder gaat, zal zijn schepper zich later revancheren met een aantal onvergetelijke boeken waar Birmese Days er één van is.

De schrijnendste passages spelen zich af op de Europese Club van het stadje, waar de mannelijke leden zich voortdurend bezondigen aan onversneden racistische taal. Als het eventuele lidmaatschap van één inlander ter sprake komt, zegt een prominent lid: „We zijn hier om het bewind te voeren over een zootje zwarte zwijnen die sinds de oertijd altijd slaven zijn geweest, en in plaats van ze te besturen op de enige manier die ze begrijpen, gaan we ze als gelijken behandelen.”

Sommige van Orwells oude collega’s in Birma reageerden uiteraard verontwaardigd op dit boek, en Orwell wilde best erkennen „dat het in sommige opzichten onbillijk is”, maar hij hield staande dat hij „voor het grootste deel” gewoon verslag had uitgebracht van wat hij had gezien.

Ik geloof hem. Het was in die dagen ook voor intellectuelen helemaal niet ongewoon om openlijk racisme te belijden. In het brievenboek Een varend eiland kwam ik laatst dit zinnetje tegen van de dichter J. Slauerhoff in een brief van hem uit 1926, dezelfde periode dus dat Orwell in Birma zat: „Gekleurde rassen voel ik niet voor.”

En wat te denken van Nescio (J.H.F. Grönloh) die in 1925-1926 als zakenman door Brits-Indië reisde en naar huis schreef na het zien van een schilderijtje met twee naakte Europese vrouwen en „een Indische dienaar”: „Mijn afkeer voor inlanders is nu compleet, ik voelde iets door m’n heele lichaam, ik voelde mij zelf vernederd en had er graag een neergeslagen en getrapt, maar ik durfde niet.”