Recensie

Recensie

Wie moeite doet voor dit boek, wordt rijkelijk beloond (●●●●)

Dolores Prato In de grote roman van deze herontdekte Italiaanse schrijfster zoekt een klein meisje in het labyrint van haar geheugen tevergeefs naar moederliefde.

Illustratie Paul van der Steen

‘De kindertijd kijkt door een gat. Geen gat zoals een sleutelgat, daardoor kijken grote mensen naar ons, maar een gat dat verandert, zoals in de Priorijpoort op de Piazza dei Cavalieri di Malta. Door dat gat zie je een smalle, lange, vredige straat met bomen en aan het eind, in de lucht, de droom van de koepel van de Sint-Pieter.’ Het is een van de vele mooie beelden die de Italiaanse schrijfster Dolores Prato (1892-1983) je voorschotelt in haar 800 pagina’s tellende autobiografische roman Daar op het plein is niemand. Het is een bijzonder boek, niet alleen doordat er in die 800 pagina’s betrekkelijk weinig gebeurt, maar ook door de manier waarop Prato het verhaal van haar kindertijd vertelt – in een levendige, rijke taal, die buldert van het dialect, en in concentrische cirkels zonder chronologie. Door die aanpak krijg je niet de indruk in een geconstrueerde roman te zijn beland, maar heb je eerder het gevoel dat je in iemands hoofd kruipt en wordt meegesleurd in een kolkende stroom van herinneringen.

Prato vergroot je verwarring door alles om haar heen uitvoerig te beschrijven, van meubilair, keukengerei, kleding en speelgoed tot aan vervallen palazzi, pittoreske straatjes, kerken, dieren, planten, verarmde baronnen en mooie gravinnen, bisschoppen en pastoors aan toe. Alsof in haar verbeeldingswereld alles en iedereen met elkaar verbonden is en de herinnering aan een onbeduidend tafeltje al voldoende kan zijn om terug te keren in de tijd. Die aanpak zal velen doen denken aan Prousts À la recherche du temps perdu, waarin ook zintuiglijke ervaringen toevallige herinneringen oproepen, al kent die cyclus anders dan het meanderende relaas van Prato wel een duidelijke verhaallijn.

Verkorte versie

Daar op het plein is niemand verscheen voor het eerst in 1980 in een door Natalia Ginzburg, haar redacteur en net als Prato schrijfster van herinneringsproza, meer dan gehalveerde versie. De inmiddels hoogbejaarde Dolores Prato was er buitengewoon ongelukkig mee. Pas veertien jaar na haar dood verscheen een volledige editie, die in 2009 werd herdrukt en ineens succes had. De ene na de andere Italiaanse criticus prees het boek de hemel in en bestempelde het tot wereldliteratuur. De weg naar buitenlandse roem lag nu open, waarvan de schitterende vertaling van Jan van der Haar een bewijs is.

De roman speelt zich grotendeels af in het Midden-Italiaanse stadje Treja. De vertelster, het alter ego van Dolores Prato, wordt daar kort na haar geboorte als buitenechtelijk kind door haar moeder ondergebracht bij een verarmde aristocratische neef en nicht, twee zestigers, die ze oom en tante noemt. Af en toe komt haar moeder nog wel eens langs, met haar nieuwe geliefde, een ingenieur die niets van het ondergeschoven kind wil weten.

Die oom, Domenico, is een priester met een grote intellectuele belangstelling, zijn afstandelijke, bejaarde zuster Paolina bestiert het huishouden. In hun midden groeit het kleine meisje op, dat tevergeefs en onafgebroken hunkert naar moederliefde. Uit gebrek daaraan is ze behalve ongelukkig ook meedogenloos in haar oordelen over de mensen om haar heen. Hun uiterlijke onvolkomenheden beschrijft ze vaak met een satanisch genoegen om zo hun zwaktes bloot te leggen.

Fin de siècle

Als lezer moet je aanvankelijk enige moeite doen voor dit boek. Maar zodra je er eenmaal in bent doorgedrongen, dan word je rijkelijk beloond. Prato sleept je de wereld binnen van het Italiaanse fin de siècle in de diepe provincie, waar het leven stil lijkt te staan en toch van alles aan de hand is. Juist dankzij die uitvoerige beschrijvingen van haar directe omgeving.

De roman begint met een paar geweldige zinnen: ‘Ik ben geboren onder een tafeltje. Ik was eronder gekropen omdat de poort had geslagen, dus kwam oom thuis.’ Het is het moment waarop het bewustzijn van de vertelster ontwaakt. Meteen is dat negatief gekleurd, omdat ze in haar schuilplaats te verstaan krijgt dat haar oom haar terug kan sturen naar haar moeder, wat erop neerkomt dat ze het huis uit wordt gezet.

Algauw ontdek je dat de vader van het meisje is overleden en de moeder, die een nieuwe minnaar heeft, te beroerd is om voor haar te zorgen. Het maakt haar tot wie ze is: eenzaam en ongelukkig. Dat verdriet sijpelt het hele boek op een uiterst subtiele manier tussen de uitvoerige beschrijvingen door.

Niet dat het verhaal daardoor minder sterk wordt. Eerder is het tegendeel waar. In allerlei kleine opmerkingen over het verlangen van het meisje naar een moeder, proef je haar verdriet, dat alleen maar indringender wordt naarmate haar relaas vordert. ‘Ik had niet wat de andere kinderen hadden en zij hadden niet mijn eenzaamheid’, lees je halverwege het boek.

De enige die om haar lijkt te geven is oom Domenico, de priester, al raakt hij haar amper aan, terwijl ze juist zo naar een arm om zich heen snakt. Die oom is volgens haar tenminste zichzelf, terwijl haar deftige, kille tante ‘bestudeerd’ is.

Eenkweetnietwat

Een van de mooiste scènes in het boek is die waarin ze aan haar tante om een ‘eenkweetnietwat’ vraagt, iets dat ze zoekt, maar waarvan ze niet weet wat het is. Die tante trekt nu de hoogste la van de kast open waar ze linten, hangertjes en sluiers uit haalt. En dan lees je: ‘Ik zocht iets zonder het te vinden; ik ben er nooit achter gekomen wat ik zocht.’ Meteen weet je dan dat het om die afwezige moederliefde gaat, die ze nooit heeft gekend en nooit zal kennen. En juist die verborgen waarheid maakt Daar op het plein is niemandzo ontroerend. Want het is juist die onvatbare emotie die je bij ieder verlaten kind kunt aantreffen.

Pas jaren later, als het meisje op de middelbare school zit, is ze in staat om conclusies te trekken over haar afkomst en schrijft ze dat onze ouders ons het leven hebben opgelegd ‘terwijl ze dachten aan zichzelf, niet aan ons, veelal hebben ze ons aanvaard.’ Pas op zo’n moment kan ze aan zichzelf toegeven dat ze nooit veel om haar moeder heeft gegeven. Voor een kind is het een harde conclusie om te trekken. Gelukkig heeft ze die oom nog, zou je denken. Maar ook die is haar niet voor altijd gegund, want als hij naar Argentinië emigreert om een bruidsschat voor haar te vergaren, keert hij niet meer terug. Anders dan bij haar afwezige moeder beseft ze dan pas hoeveel hij voor haar betekent. Het enige dat haar dan nog kan helpen is het terugdraaien van de tijd.