Een nieuw kabinet, meer intimidaties en de dictatuur van het eigenbelang

Deze week: bewindslieden die zich voorbereiden op hun functie, een tanend democratiebesef, en grote vragen voor de Kamer en de premier. Ofwel: het nieuwe kabinet en de escalerende cultuur van bedreigingen.

Een nieuw kabinet, een nieuw jaar – en toch bleef je aan het eind van de week zitten met de vraag of 2021 wel voorbij is. Natuurlijk, je had de fris voorgedragen bewindslieden die vaak met een blik van zelfvertrouwen arriveerden bij formateur Mark Rutte.

Vrijdag, na de laatste vergadering van zijn derde kabinet, kwamen de nieuwe bewindslieden op Algemene Zaken samen voor het zogenoemde Startberaad. Een informele kennismaking met een borrel en filmpjes waarin oud-ministers tips geven over het vak. Subtiele vermaningen tegen te onbescheiden gedrag.

De aanpak-Rutte: een eerste oefening in nederigheid tijdens de gezelligheid.

Zaterdag zou de eerste formele kabinetszitting volgen: het constituerend beraad, de laatste kans om onderlinge werkafspraken te verhelderen dan wel aan te scherpen. Maandag de bordesscène, dinsdag over een week de regeringsverklaring, etc.

Intussen had de week toch weer een nare wending genomen. Een wending die heel erg 2021 was: bij D66-leider Sigrid Kaag, straks minister van Financiën, verscheen woensdagavond een man met verzetsretoriek en een brandende fakkel aan de voordeur.

Het type persoonlijke intimidatie van vaak (licht) verwarde personen dat voor politici helaas normaal geworden is, maar evengoed voor de daders, die ook woensdag tevreden een filmpje van hun prestatie op sociale media postten.

Je kon zeggen: het typeert de kloof tussen burger en politiek. In werkelijkheid leek me het omgekeerde het geval: dit zijn mensen die met hun weerzin tegen het bestuur juist geen enkele afstand van de politiek meer ervaren. Zij komen even verhaal halen.

Met corona, sociale media en het verzwakte vermogen van politici om in 2021 conflicten te beslechten, bevestigde dit incident een verschijnsel dat al langer sluimert: het nationale democratiebesef is tanende. En dan vooral de notie dat in dit land zoveel mogelijk bevolkingsgroepen meepraten over besluitvorming.

Want juist dit elementaire aspect van de representatieve democratie – respecteer minderheden – dreigt verdrongen te worden door de opvatting dat alleen de eigen minderheid nog respect verdient.

Het is de dictatuur van de eigen ervaring, het eigen onrecht, het eigenbelang – waarin de ruimte voor andere minderheden, andere opvattingen en andere belangen verdwenen is.

En dat in de week van de herdenking van de aanval op het Capitool een jaar geleden. In Trouw wees historicus James Kennedy, Amerikaan van geboorte, er woensdag op dat in de VS „de dreigingen van politiek geweld” te lang zijn onderschat.

Niet dat hier een bestorming van het huis van de democratie imminent is – de liberale democratie is wat dit betreft superieur aan het Amerikaanse presidentiële stelsel (‘winner takes all’), dat de helft van de bevolking per definitie buitenspel plaatst.

Wel zien we ook hier al jaren dat retorische aanvallen op de democratische instituties vrijwel onweersproken blijven. Pas de laatste maanden hoor je iets van tegengeluid uit middenpartijen: „Woorden doen ertoe.” Het illustreert de onmachtige omgang met het vraagstuk. Schoenen doen er ook toe. Of een theedoek, bij de afwas.

En dus gaat de trend, inclusief de woordinflatie, al jaren door. Toen Geert Wilders werd vervolgd wegens zijn ‘minder minder’-uitspraken in 2014, ondermijnde hij Justitie door te klagen over een ‘politiek proces’; alsof het hier Rusland is.

Nooit leverde hij in de rechtszaal bewijs van onrechtmatige politieke inmenging – hij werd tot en met de Hoge Raad veroordeeld voor groepsbelediging. Maar bij de kiezer wonnen zijn beschuldigingen het van de feiten: onderzoek toonde aan dat een meerderheid hem geloofde. Toen hij na zijn laatste veroordeling vorig jaar uitriep dat „de rechtsstaat failliet is”, was iedereen aan die retoriek gewend.

In 2015 introduceerde hij in de Kamer het woord nepparlement. Ook hier: onmachtige reacties. De toenmalige Kamervoorzitter wist het even niet. De meeste fracties reageerden niet. Een paar jaar later was het woord zo normaal dat het vanzelf weer verdween.

En dus was het logisch dat ook FVD hyperbolen ging hanteren – nota bene om met de PVV te concurreren. En zoals dat gaat: wie eenmaal radicale taal uitslaat zit gevangen, daarna kan het alleen radicaler. Het bleek eind 2021, toen FVD in het kader van de ledenwerving de ene ophitsende tekst na de andere de wereld in slingerde.

Het Zeeuwse FVD-Statenlid Marin Bos hoopte op kerstavond dat „VVD, D66, CDA, CU voor hoog- en landverraad achter slot en grendel verdwijnen”. „ER KOMEN TRIBUNALEN”, schreef Thierry Baudet dezelfde avond. Zo ging het maar door. Op 28 december stelde FVD-Kamerlid Gideon van Meijeren dat de „tirannieke regering” inzake corona een „totalitaire controlestaat” nastreeft. „Verzet daartegen is (-) een plicht.”

Dus toen de intimidatie van Kaag deze week naar buiten kwam, gaf dat onder leidinggevende politici een schok: diverse van hen ondergingen de laatste tijd privé vergelijkbare intimidaties, waarbij ze zagen dat juist verwarde mensen vaak ontvankelijk zijn voor hevige politieke retoriek.

De kwestie stimuleerde daarom ook politici als Gert-Jan Segers (CU) en minister Hugo de Jonge om een verband te leggen met de FVD-hyperbolen, en je zag een breuk met het verleden aankomen: partijen zijn niet meer van plan „FVD hiermee te laten wegkomen”.

Het ingewikkelde is wel dat een verband tussen politieke retoriek en individuele wandaden zelden aantoonbaar is. En voor sommige partijen zit hier ook een ander dilemma aan. FVD is haar verhitte retoriek gaan presenteren als „burgerlijke ongehoorzaamheid”, geweldloos verzet in de traditie van iemand als Martin Luther King. Kies is het niet. Maar je hoeft niet lang te googelen om te zien dat bijvoorbeeld ook de PvdD, Denk en de Jonge Socialisten van de PvdA recent nog waarderend over burgerlijke ongehoorzaamheid waren.

Crucialer is hoe de politiek, ook inzake corona, moet omgaan met steeds radicalere taal in de nationale vergaderzaal. Partijen verbieden wekt de valse indruk dat je ideeën kunt verbieden. Tegelijk heeft de keuze om de vergroving van de taal te negeren c.q. tolereren het probleem alleen maar verergerd.

En de Tweede Kamer heeft natuurlijk wel een voorbeeldfunctie. Daarom staat haar (of haar voorzitter) niets in de weg om nieuwe normen te stellen: een grens aan grove taal, aan oorlogsvergelijkingen, aan agressieve omgangsvormen – aan alles dat bijdraagt aan de nationale ziekte van bedreigingen en intimidaties.

Tegelijk vraagt het rampjaar 2021 misschien ook om zelfreiniging van middenpartijen die zolang faalden in de regeringsvorming. Een Haagse routinier die talrijke topfuncties bezette, wees me er deze week op dat het debat over de regeringsverklaring, woensdag over een week, voor de Kamer de laatste kans is de scheidende formateur, Rutte, ter verantwoording te roepen over deze schandvlek.

En je dacht: zit wel wat in. Je kunt er niet omheen dat ook de ellenlange formatie ruimte bood aan het radicale en antidemocratische sentiment. Na woensdag is er geen kans meer de premier hierop aan te spreken.

Pagina’s omslaan is aantrekkelijk voor politici, zeker als er niet zo’n geweldig verhaal over ze opstaat, maar het is net als met die verhitte retoriek. Wanneer je nooit terugkijkt naar het beginpunt, negeer je ook het eigenlijke vraagstuk: hoe het toch komt dat het democratiebesef zo gemakkelijk in verval kon raken.