Pas nu, 113 jaar later, weten we wat de Zuiderzee met de familie Dinkla deed

De Dinkla-ramp Na het droogleggen van de Noordoostpolder vond men veel restanten van scheepswrakken. Meestal bleef onduidelijk waarom ze zonken. Maar door nieuw onderzoek kan een van de grootste Zuiderzee-rampen precies worden gereconstrueerd.

Illustratie Martien ter Veen

Het is dinsdag 20 april 1909, rond negen uur ’s ochtends, als een enorme golf een deel van de kapluiken van De Hoop wegslaat. Het schip maakt water. Geert Dinkla probeert vergeefs de luiken te repareren. Hij vaart op de Zuiderzee, op nog maar een half uur van de haven van Lemmer. Het noodweer is onverwachts gekomen. De wind werd sterker, draaide plotseling, waardoor de zee hol kwam te staan: hoge, steile golven die met veel geruis weer voorovervallen. De Hoop is aan de elementen overgeleverd. Dinkla’s vrouw, zijn zes kinderen en zijn knecht proberen zichzelf in veiligheid te brengen. Een nieuwe golf komt eraan.

I

Stortzee

Geert Dinkla (37) komt uit het Groningse dorpje Ten Post en heeft ervaring met de zee. Jarenlang is hij in dienst van de Duitse reddingsmaatschappij geweest. Bij het Duitse waddeneiland Juist heeft hij door de jaren heen meer dan tachtig mensen van de verdrinkingsdood gered. Maar zijn vrouw Lammigje Schutrup (35) werd steeds banger dat haar man bij het te hulp schieten van een ander zelf in de golven zou verdwijnen. Ze overtuigde hem zijn werk op te zeggen en een ander bestaan te omarmen. Met wat spaargeld en een lening kochten ze De Hoop, een houten tjalk die hun ‘thuis’ zou worden. In die tijd gold voor veel armlastige Zuiderzeeschippers dat ze niets anders dan hun boot bezaten. Geld zouden ze gaan verdienen met vrachtvervoer; het schip kon 110 ton vervoeren.

Twee maanden geleden lag De Hoop nog vastgevroren in de haven van Lemmer, waardoor het gezin Dinkla zo goed als geen inkomen had. Inwoners van Lemmer zagen dat Dinkla’s zes kinderen flauw en wezenloos in de roef zaten. Ze zamelden onderling geld in: 30 gulden waarmee de familie de vorst kon overbruggen.

Het trommeltje met geld zat nog in haar japon

Als Dinkla in het voorjaar eindelijk weer kan uitvaren, neemt hij een opdracht aan van de firma H.J. den Breejen Jzn uit Nijmegen, voor wie hij een scheepslading grindzand van Kampen naar Lemmer moet brengen. Dat is een tocht van pakweg veertig kilometer, noordwestwaarts, dwars omhoog door wat tegenwoordig de Noordoostpolder is. Het voorschot van 50 gulden bewaart Lammigje in een klein trommeltje, weggestopt in de zak van haar japon.

Op 20 april vertrekt Dinkla om 4 uur ’s ochtends uit Kampen. Naast Lammigje zijn ook zijn kinderen Hilje (10), Wilhelmina Rikzelina (8), Gerhard Jilzig (7), Willem Jakob (5), Ebedina (3) en Rikzelina (2) aan boord.

Het is gebruikelijk dat gezinsleden die dat kunnen, meehelpen. Dinkla heeft desondanks ook een knecht meegenomen: loods Willem de Vries (47) uit Kampen. Hij heeft zijn vrouw Aaltje Schakelaar en zes kinderen thuis achtergelaten. Over elf dagen zullen ze 25 jaar getrouwd zijn.

De toren van de Lemmerse Sint-Willibrorduskerk is al aan de horizon te zien als De Hoop in een plotse storm terechtkomt en begint te zinken.

Geert Dinkla geeft het roer over aan loods De Vries en spoedt zich naar de achtersteven om de sloep, een roeibootje dat aan een touw wordt meegetrokken, naar zich toe te halen zodat iedereen daarin kan springen. Zijn vrouw en drie kinderen klampen zich eerst aan de giek vast, maar voegen zich daarna bij de andere kinderen die zich in de roef verschuilen. Een nieuwe stortzee, een golf die verrijst en omkrult, valt over De Hoop heen.

De Vries wordt van boord geveegd, maar probeert zich nog vast te houden aan de stagen en lijnen van de mast. Achteraan slaat ook Geert Dinkla overboord.

Salonboot ‘de Heerenveen’ van de Holland Friesland Lijn, tussen Lemmer en Amsterdam. Op 20 april 1909 schiet de Heerenveen onderweg een schip in nood te hulp. Foto Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

II

‘Zit hier soms een vuile kant aan?’

Meer dan honderd jaar later is de scheepsramp zo goed als vergeten, tot Yftinus van Popta (35), maritiem archeoloog aan de Rijksuniversiteit Groningen, op 27 oktober 2020 een e-mail krijgt, van een familie uit de Noordoostpolder. Ze zoeken contact omdat ze op een archeologische kaart van de polder een stip op hun kavel hebben zien staan. Die correspondeert met een vondst die er eens is gedaan. „Er schijnt ooit een klein restant van een wrak opgegraven te zijn”, schrijft de familie.

Van Popta doet al langer onderzoek naar scheepswrakken. Hij begint te zoeken in zijn database; een gedigitaliseerd documentatiesysteem met dagrapporten, briefjes, correspondentie, kaarten en tekeningen. Op het kavelnummer van de familie vindt hij alleen een mapje met stukken over vondsten van middeleeuws keramiek. Maar in het mapje van het naburige kavel, NA90, vindt hij een uitzonderlijke vermelding van twee niet nader onderzochte scheepswrakken. De kavel is een stukje land bij het dorp Rutten, zo’n vijf kilometer onder Lemmer in de Noordoostpolder.

De Afsluitdijk verdeelde de Zuiderzee in 1932 in de Waddenzee en het IJsselmeer. Er kwam een dijk van Lemmer naar het eiland Urk, en van Urk met een boog weer terug naar het vasteland. De drooglegging van het door die dijken afgekaderde gebied was in 1942 voltooid: de Noordoostpolder. In de Noordoostpolder en de Flevopolder tezamen werden na de drooglegging meer dan 450 wrakken aangetroffen door landontginners.

Van zo goed als al deze schepen is onbekend waarom ze de haven destijds niet hebben gehaald. Om te kunnen achterhalen welke ramp bij welk wrak hoort, zou je de naam van het gezonken schip moeten kennen. Die is van slechts vijftien wrakken bekend.

In de jaren veertig en vijftig hadden archeologen vooral aandacht voor wrakken uit de late Middeleeuwen tot en met de zeventiende eeuw, een periode waarin de Nederlandse welvaart flink was toegenomen. Ze verzamelden objecten uit de schepen, keken naar de bouw en naar de lading. Jongere, negentiende- en twintigste-eeuwse wrakken werden doorgaans zonder al te veel onderzoek geruimd.

Yftinus van Popta is juist geïnteresseerd in die relatief jonge wrakken. Hij gaat op zoek naar het verhaal erachter, zodat meer duidelijk wordt over het leven op de Zuiderzee. En anders dan bij de oudere wrakken heeft hij een extra archief tot zijn beschikking. De Koninklijke Bibliotheek lanceerde in 2013 Delpher, een website met gedigitaliseerde historische Nederlandse kranten, boeken en tijdschriften. Het archief gaat terug tot 1618 en bevat reportages, interviews en uitgebreide nieuwsberichten, ook over scheepsrampen, vaak met een naamsvermelding van een schip dat in de problemen is gekomen.

In Van Popta’s archiefmapje van kavel NA90 treft hij een bijzondere brief aan. Die is van 2 augustus 1947 en komt van landarbeider Ten Cate. De brief is gericht aan Gerrit van der Heide, die dan de Noordoostpolder voor de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek als werkterrein heeft. Ten Cate heeft twee wrakken gevonden die hij van zijn baas moet verzwijgen omdat een eventueel onderzoek ernaar de landontginning zal vertragen – wat tijd en dus geld zal kosten. Ten Cate vertrouwt het niet. „Zit hier soms een vuile kant aan?” schrijft hij met zwierige letters.

Uiteindelijk zal pas acht jaar later iemand van de scheepsarcheologische dienst een kijkje op de kavel gaan nemen, om te concluderen dat er geen wrakrestanten meer aanwezig zijn. Van mensen in de buurt hoort die ambtenaar wel – en ook dat is in het archief van Van Popta terug te vinden – dat een van de twee gezonken schepen ‘Drie Gebroeders’ heeft geheten. Het was een tjalk geweest, geladen met zand. Van het andere wrak is niets bekend.

Van Popta veert op. Dit is een unicum: een voor hem nog onbekende scheepsnaam bij een wrak. Hij kruipt opgewonden achter de computer op de zolder van zijn huis in Sappemeer en begint digitaal te graven in de archieven, op zoek naar de bijbehorende ramp. Misschien, denkt hij hoopvol, lukt het me zelfs om ook dat tweede wrak te identificeren.

Brief uit 1947 van landarbeider Ten Cate aan bodem-onderzoeker in de Noordoostpolder Gerrit van der Heide: Ten Cate heeft twee scheepswrakken gevonden, een vondst die hij van zijn baas moet verzwijgen. Privéarchief Yftinus van Popta

III

‘Was ik ook maar verdronken!’

Kokmeeuwen aan land, onweer voor de hand’, staat bij wijze van waarschuwing op een zijde van een van de sluishuisjes van de Lemster Sluis, die de Binnenhaven met de Vluchthaven verbindt. Op een andere kant: ‘’t Getij gaat zijnen keer, en ’t wacht naar Prins nog Heer.

Op 20 april 1909 lopen de passagiers van stoomschip Heerenveen langs deze spreuken voor ze aan boord van het schip van de Holland-Friesland Lijn gaan. De Heerenveen is een salonboot: vijftig meter lang, twee verdiepingen hoog. Luxueus ingericht, gericht op de welvarende Nederlander. Ondanks het onstuimige weer zal de boot koers zetten naar Amsterdam.

Op de Zuiderzee vaart een visser met de naam Jacob Tijzeling intussen dichtbij de zwaar in de problemen verkerende De Hoop. Hij ziet een man in het water die zich ternauwernood kan vasthouden aan de mastlijnen. Het is Willem de Vries, de loods van Geert Dinkla. Tijzeling steekt hem een haak toe en roept dat de drenkeling die moet vastpakken. Maar De Vries zit met zijn voeten in de touwen verstrikt. Een nieuwe golf zorgt ervoor dat hij de grip op de haak verliest. Tijzeling gooit hem een touw toe – ook tevergeefs. „Ik kan me niet langer houden”, roept De Vries. Het zijn zijn laatste woorden voordat De Hoop hem mee de diepte intrekt.

Rond half tien vaart de Heerenveen uit. Kapitein Blei ziet in de verte een schip met zeilen die fladderen aan de punt van de mast. Eenmaal dichterbij ziet hij een lege sloep drijven. Een man houdt zich in het water aan de vanglijn van het bootje vast. De Heerenveen draait bij, de hoge golven trotserend, zodat de sloep aan bakboord komt te liggen en met haken naar de stoomboot toe getrokken kan worden.

Stuurman Timmerman springt erin, trekt de man uit het water en laat hem aan boord van De Heerenveen hijsen.

De man zegt Geert Dinkla te heten.

Hij is radeloos. Vanuit het water heeft hij gezien dat een enorme golf de roef van zijn schip heeft geslagen, de plek waar zijn kinderen probeerden te schuilen. Toch blijft hij voortdurend roepen dat zijn vrouw, kinderen en knecht nog aan boord zijn. Drie passagiers kunnen ternauwernood voorkomen dat Dinkla overboord springt.

Kapitein Blei blijft met de Heerenveen in de buurt van De Hoop om de zee af te speuren, op zoek naar een levensteken van Dinkla’s vrouw, kinderen en knecht, maar alleen de mast is nog te zien tussen het schuim op de golven. Uiteindelijk besluit Blei terug naar Lemmer te varen, met een ontroostbare Dinkla in het ruim.

Rond half elf komt hij aan. Dinkla wordt in het huis van een scheepsbevrachter opgevangen. Op alle vragen die hem daar gesteld worden, zegt hij wanhopig: „O, vraag me toch niets, vraag me toch niets! Was ik ook maar verdronken!”

Rond elf uur vaart de Heerenveen alsnog uit naar Amsterdam. Met tien passagiers minder dan die ochtend; na de verschrikkingen van dichtbij te hebben gezien blijven ze liever aan wal.

In de middag verandert de wind weer van richting. Hij gaat wat liggen, waardoor vissers opnieuw naar Dinkla’s gezonken schip kunnen uitvaren om op zoek te gaan naar zijn vrouw en kinderen. Ze komen terug met alleen gehavende zeilen.

De jonge Geert Dinkla uit Ten Post. Voordat hij vrachtschipper werd, werkte hij bij de Duitse reddingsmaatschappij.
Foto archief Guus Dinkla
Lammigje Schutrup, de vrouw van Geert Dinkla. Ze haalde hem over te stoppen met reddingswerk, bang dat hij daarbij zou verdrinken.
Foto archief Guus Dinkla
Geert en Lammigje Dinkla.
Foto’s archief Guus Dinkla

IV

Een plotselinge schok

Hoe kan het toch dat twéé scheepswrakken op dezelfde locatie zijn aangetroffen, vraagt Yftinus van Popta zich af in het najaar van 2020. Zouden ze verband houden met elkaar?

Eerst moet hij weten wat er met De Drie Gebroeders is gebeurd. In Hepkema’s Courant, een streekkrant die destijds in Midden- en Zuidoost-Friesland verscheen, vindt Van Popta een bericht van 1 juli 1909, over de ondergang van een schip met die naam. Een tjalk, geladen met zand. De locatie van het wrak staat vermeld. Van Popta rekent de toenmalige coördinaten om naar die van nu en ziet op de kaart dat hij enkele honderden meters van de stip op Kavel NA90 uitkomt. Daarmee staat voor hem vast dat hij beet heeft: de vroegere peilingen waren volgens hem niet zo nauwkeurig, waardoor enkele honderden meters verschil op zee verwaarloosbaar zijn.

In Hepkema’s Courant heeft naar aanleiding van het ongeluk ook een interview gestaan met de schipper, Seije van Dijk uit Lekkum. „Omstreeks 7 uur”, zegt Van Dijk, „tot op een uur afstand van de Lemster haven komende, voelden we dat het schip plotseling een schok kreeg. We gingen onmiddellijk pompen en bemerkten toen dat er vrij wat water in het schip liep.”

Zoveel water dat Van Dijk de noodvlag moet hijsen. Die wordt opgemerkt door een Lemster visser die toevallig in de buurt is. De visser haalt eerst Van Dijks vrouw en vier kinderen van boord en daarna, geholpen door andere vissers, ook de schipper en zijn knecht. Van Dijk als hij het navertelt: „We hebben nog wat beddengoed en meubelen en alle zeilen kunnen bergen, maar toen we de luiken openmaakten om, door de lading te lossen, het schip te lichten, zonk het snel en moesten we de rest van wat nog voor- en achterin was, in de steek laten.”

Het intrigeert Van Popta dat Van Dijk plotseling een schok heeft gevoeld. „De zeebodem was daar vrij zacht”, zegt hij. „Hij moet ergens op gevaren zijn.”

V

Bericht van de Koningin

In de dagen na de ramp dwaalt Geert Dinkla verdwaasd door Lemmer. Zijn schip, zijn vrouw, zijn kinderen: alles is hij kwijt. Het is maar de vraag of hun stoffelijke overschotten ooit boven water komen, zodat hij ze tenminste kan begraven. Hij belooft 5 gulden aan iedereen die een van de acht vermiste lichamen kan terugbrengen.

De tragedie houdt ondertussen heel Nederland in de ban. Ooggetuigen – de mensen die de restanten van het schip in het water hebben gezien vanaf de Heerenveen – en enkele deskundigen merken op dat De Hoop slecht onderhouden was, en niet zeewaardig genoeg voor de barre omstandigheden van 20 april 1909. Ze herinneren zich vooral het gemak waarmee de zee in één klap de hele kajuit van het dek heeft gevaagd. Sommigen draaien het juist om: de bodem zou onder het schip vandaan zijn geslagen. Er wordt verder gespeculeerd dat Dinkla in een krankzinnigengesticht opgenomen is, doorgedraaid door de schok van het enorme verlies. Dinkla zal die geruchten later ontkrachten.

Het drama blijkt zelfs koningin Willemina, dan hoogzwanger van prinses Juliana, niet onberoerd te laten. Per telegram vraagt ze aan de burgemeester van Lemsterland of er financiële hulp nodig is.

Na vragen van NRC voor dit artikel vindt een medewerker van het Koninklijk Archief het telegram terug. In afkortingen wordt erin medegedeeld dat Hare Majesteit „met grote droefenis” kennis heeft genomen van „den vreeselijken ramp” en vraagt om haar deelneming „aan den zoo zwaar getroffen schipper Dinkla over te brengen”.

Op haar vraag of er financiële steun nodig is en hoe het met de nabestaanden van loods De Vries zit, antwoordt de burgemeester dat die hulp zeker welkom is, waarna Wilhelmina 50 gulden naar Lemmer stuurt (omgerekend is dat nu zo’n 625 euro, volgens het CBS) . Geïnspireerd door de gift van Wilhelmina initieert J.H. Bergmann, secretaris van de Koninklijke Schippersvereniging Schuttevaêr, een beroepsvereniging voor de binnenvaart, een collecte. Vanuit het hele land wordt gedoneerd, meestal losse muntstukken, opgeteld 228,75 gulden.

Bergmann heeft ook een ontmoeting met Dinkla. Hij wil diens kant van de ramp wereldkundig maken. Op 29 april 1909, iets meer dan een week na die noodlottige dinsdag, schrijft hij in De Tijd: „Uit zijn zenuwachtig en ongeregeld gesprek vernam ik dat hij zeer erkentelijk was voor de financiële steun van H.M. de Koningin. Leed deed het hem echter dat zijn verdriet nog verhoogd werd, doordat sommigen hem, door roekeloosheid te verwijten, zelf de oorzaak achten. Hij vindt het wreed, dat zulks gezegd wordt.” En: „Nooit had hij kunnen denken juist zijn vrouw en kinderen te zien verdrinken zonder hulp te kunnen verlenen en heeft hij dit laatste beeld onophoudelijk voor ogen.”

Bergmanns vereniging Schuttevaêr blijkt nog enige zingeving aan de Dinkla-ramp te willen geven door zich in te spannen voor een wetswijziging waarmee de vaart over de Zuiderzee in de Schepenwet onder de regels en het toezicht van de binnenvaart zal gaan vallen: „Men zegt dat hier in Nederland eerst een kalf moet zijn verdronken alvorens de put wordt gedempt. Welnu, het kalf is verdronken. Acht mensen zijn omgekomen. ’t Offer is hard, vreselijk hard, doch als daarmee het toezicht op de binnenvaart wordt verkregen, dan kan de ramp-Dinkla nog nuttig zijn voor het vervolg, al moet dan ook worden erkend: Jammer, driewerf jammer, dat het eerst zo ver heeft moeten komen.”

Brief daags na de Dinkla-ramp van koningin Wilhelmina aan de burgemeester van Lemsterland. Wilhelmina schrijft „met grote droefenis” kennis te hebben genomen van „den vreeselijken ramp” en ze vraagt om haar deelneming „aan den zoo zwaar getroffen schipper Dinkla over te brengen”. In een tweede schrijven, zie onder, zegt de koningin eerste noodsteun toe à 50 gulden (omgerekend is dat nu zo’n 625 euro, volgens het CBS). Bron Koninklijk Archief

VI

‘Dat doen we maar niet’

Geert Dinkla loopt over de Leeg, een straatje in de haven van Lemmer, en stopt bij het huis van visser Fimme Bootsma. In zijn hand heeft hij twee rijksdaalders.

In de ochtend van 12 mei 1909, meer dan drie weken nadat De Hoop zonk, is Bootsma in de buurt van de rampplek gaan vissen. Enkele dagen daarvoor waren medewerkers van de Rijksopnemingsdienst met stoomboot De Raaf ter plaatse geweest om een wrakpeiling te doen en er een blauwe vlag te plaatsen, zodat andere schippers niet tegen het wrak van De Hoop op zouden varen. Mogelijk is het lichaam van Willem Jakob Dinkla daardoor losgekomen.

Bootsma haalde het lijfje van de vijfjarige uit het water en bracht de jongen terug naar Lemmer, naar zijn vader.

Als Dinkla hem de muntstukken wil overhandigen, zegt Bootsma: „Dat doen we maar niet.” De visser is na de komst van Dinkla zo ontzet, door die diepbedroefde man, het willen betalen voor het vinden van het overschot van een van zijn kinderen, dat hij ervan moet overgeven.

In de familie Bootsma wordt het verhaal over ‘de berntsjes van Dinkela’ (de kindertjes van Dinkla) van generatie op generatie doorgegeven, zodat Bootsma’s afstammeling Sjirrie Poepjes (74) het meer dan honderd jaar later in haar huis in het Friese Makkum kan navertellen. „Ik vind die Dinkla zo sterk dat hij dit ondanks dat enorme verdriet zelf wilde afhandelen”, zegt ze. „Maar ik ben er ook trots op dat mijn opa dat geld toen niet heeft aangenomen.”

Geert Dinkla op latere leeftijd. Hij woonde na de ramp in een woonwagen aan het Winschoterdiep. In 1955 overleed hij, 83 jaar oud.
Foto Myheritage
Geert Dinkla op latere leeftijd.
Foto Myheritage

VII

De vondst van de vermisten

Lammigje is als eerste gevonden. Een visser uit Lemmer heeft haar overschot aangetroffen in het water, twee weken na de ramp. Het trommeltje waar ze het geld in bewaarde, zat nog in haar japon. Er was nog 37,50 gulden over.

Twee dagen later heeft weer een andere visser het lichaam van Willem de Vries opgevist bij de Mirdummerhoek, voor de kust van Oudemirdum. Een kotter vond die dag het lijkje van de driejarige Ebedina en bracht het naar Urk.

Aan de andere kant van de Zuiderzee is die dag Wilhelmina Rikzelina (8) voor de kust van Enkhuizen aangetroffen, drijvend in onderkleren, met een jurkje om haar hals gewikkeld. En weer een dag later heeft een Enkhuizer visser het overschot van Hilje (10) gevonden. Nabij het eiland Wieringen, op de kop van Noord-Holland is het lichaam van de kleine Rikzelina (2) door een ansjovisvisser uit het water gehaald.

Op 12 mei, de dag dat Fimme Bootsma de vijfjarige Willem Jakob vindt, wordt ook de twee jaar oudere Gerhard Jilzig door een jager voor de kust van Tacozijl teruggevonden. Alle vermisten zijn terecht.

Dinkla reist binnen een week, gedeeltelijk met een van de stoomboten van de Holland-Friesland Lijn die hem zelf het leven heeft gered, de hele Zuiderzeekust af om afscheid van zijn gezin te nemen en ze te begraven. Alleen voor de begrafenis van zijn jongste dochter, te Wieringen, is hij te laat. Na zijn aankomst wordt haar stoffelijk overschot op zijn verzoek weer opgegraven, zodat hij haar nog één keer kan zien voor hij haar te ruste legt.

Bij de laatste begrafenis, die van zijn beide zoons te Lemmer, probeert predikant Zoete van de Nederlands Hervormde gemeente Dinkla te troosten door bij het graf Klaagliederen 1:12 te citeren: „En zie of er een smerte zij gelijk mijn smart.” De dienst kan niet worden afgemaakt: door het slechte weer moeten de aanwezigen zich naar de consistoriekamer spoeden om daar het dankgebed uit te spreken.

En nog is het niet gedaan met de tegenslag, zo blijkt als een aannemer op de laatste dag van mei de blauwe waarschuwingsvlag verwijdert die op de restanten van De Hoop is geplaatst en een gedeelte van het wrak van de bodem licht om het naar Lemmer te slepen. Vlak bij de haven scheurt de achterste ketting waar het aan hangt dwars door het wrak heen, waardoor het achtersteven afbreekt en de tjalk opnieuw zinkt. Het Nieuwsblad van Friesland concludeert dat het schip van Dinkla „een ongeluksschip” is.

En inderdaad: nog geen maand later, op 28 juni, botst Seije van Dijk met zijn tjalk De Drie Gebroeders op een achtergebleven restant van De Hoop, en zinkt.

VIII

Een begraafplaats aan verhalen

Het is een klein berichtje in De Tijd van 28 juni 1909 waarin Yftinus van Popta leest dat De Drie Gebroeders is gezonken „op dezelfde plek voor de haven te Lemmer, waar eenigen tijd geleden een ernstige ramp plaats vond.”

Dat is de sleutel naar de identificatie van het voor hem dan nog anonieme tweede wrak. Hij gaat steeds een beetje verder terug in het krantenarchief, tot hij op een scheepsdrama stuit dat de ‘Dinkla-ramp’ wordt genoemd en waar tot in Nederlands-Indië over is bericht. De coördinaten van de in de krant vermelde wrakpeiling komen zo goed als overeen met die van De Drie Gebroeders, waardoor het hem lukt het anonieme wrak te identificeren als De Hoop.

Pas nadat hij de puzzel heeft opgelost, rijdt hij naar de Noordoostpolder en parkeert hij aan de Ruttenseweg, vlak bij de rampplek. Anderen zien hier groene weilanden, bomen, windmolens en akkers vol bloeiende aardappelplanten, maar hij ruikt de restanten van de zilte lucht die de zee hier in de bodem heeft gestopt, vist stukjes van strandgapers uit de grond die volgens hem dé Zuiderzeeschelpen zijn en kijkt uit over een begraafplaats van vergeten verhalen, vergeten scheepsrampen, waarvan hij er net twee aan de vergetelheid heeft weten te onttrekken.

Van Popta vindt dat er veel te leren valt van de dubbele scheepsramp. „Ze bevestigen het standaardverhaal van een zware storm op zee niet, maar laten zien dat er meerdere oorzaken aan zo’n ramp ten grondslag kunnen liggen”, zegt hij. „De Drie Gebroeders zonk door een botsing tijdens goed weer en De Hoop verging door vermoedelijk slecht onderhoud in combinatie met slecht weer én de keuze om toch te gaan varen. Schippers konden slecht weer in die tijd wel zien aankomen. Mogelijk heeft Dinkla desondanks gedacht dat Lemmer wel te halen zou zijn, wat wellicht ook werd ingegeven door de inkomsten die hij moest genereren: stilliggen leverde in principe geen geld op.”

Van Popta heeft contact opgenomen met de eigenaar van kavel NA90, een schaapsboer, met de vraag of hij er ook een geofysisch onderzoek mag doen. Of hij met radiografische metingen het land af mag speuren op zoek naar eventuele kleine restanten van beide wrakken in de grond. Maar de boer zegt dat hij bij het anderhalve meter diepploegen van zijn land niets is tegengekomen en verder onderzoek niet ziet zitten.

„Ik zou wel iets van een monument in deze omgeving willen oprichten”, zegt Van Popta terwijl hij een stap opzij doet voor een fietser. „Voorbijgangers hebben er geen idee van dat dit polderland een zee was waar de meest verschrikkelijke dingen zijn gebeurd, terwijl het nog maar honderd jaar geleden is.”

Epiloog

Op 21 september 1909 trad een aangepaste versie van de Schepenwet in werking, waarin bepalingen werden opgenomen die scheepsrampen moesten helpen voorkomen. De wet is toen niet alleen voor de binnenvaart maar ook voor de zeevisvaart gaan gelden, waardoor de lobby van vereniging Schuttevaêr succesvol lijkt te zijn geweest.

Een paar weken daarvoor heeft stuurman Timmerman van stoomboot de Heerenveen bij Koninklijk besluit de ‘bronzen ere-penning voor menschlievend hulpbetoon’ gekregen, omdat hij met gevaar voor eigen leven schipper Dinkla heeft gered door in diens sloep te springen en hem uit het water te halen.

Dinkla kreeg na de ramp 1.050 gulden uitbetaald van de verzekering op De Hoop (ruim 13 duizend euro), waarvan hij, na afbetaling van de lening waarmee Lammigje en hij de tjalk hadden aangeschaft, 150 gulden overhield.

Uit stamboom- en familiegeschiedenisonderzoek van Dinkla’s achterneef Guus Dinkla (78), uit Doetinchem, blijkt dat Geert daarna in een woonwagen aan het Winschoterdiep is gaan wonen en uiteindelijk is hertrouwd. Twee van de kinderen die hij dan nog krijgt overlijden kort na de geboorte. Een derde overleeft, en geniet een lang leven.

Illustraties Martien ter Veen.
Deze productie is mede mogelijk gemaakt door het Steunfonds Freelance Journalisten.