Opinie

Is voor een minister vakkennis vereist, of zijn politieke vaardigheden belangrijker?

Twistgesprek De democratie verdient bewindslieden met inhoudelijke kennis, stelt . Hoeveel juristen op Justitie zijn er wel niet voortijdig afgetreden, vraagt .
Twistgesprek

Twee opvallende namen onder de ministers die maandag op het bordes staan met koning Willem-Alexander zijn die van Robbert Dijkgraaf en Ernst Kuipers. Hun aantreden betekent dat er een wetenschapper op het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap komt en dat een arts annex ziekenhuisbestuurder minister van Volksgezondheid wordt. Bij de meeste andere ministersposten is van zulke ervaring en inhoudelijke kennis op het eigen terrein geen sprake. Op het ministerie van Justitie treedt zelfs voor het eerst een minister aan die geen jurist is. Is dat een manco? Of zijn voor een bewindspersoon bestuurlijke en politieke kwaliteiten belangrijker? Lody van de Kamp en Carla van Baalen discussiëren per e-mail over de stelling: een minister moet vakkennis hebben.

Lody van de Kamp is LvdK, Carla van Baalen is CvB.

LvdK: „Het is niet nieuw dat bewindslieden zonder specifieke vakkennis van het beleidsterrein van hun departement een plaats krijgen in een nieuwe regering. Toch is het deze keer wel opmerkelijk dat bijvoorbeeld Justitie en Veiligheid zo’n minister krijgt, Dilan Yesilgöz. Nog maar koud een paar maanden staatssecretaris, en nu naar dit departement waar de hoogste graad van juridische kennis altijd een must was. Het accepteren van een dergelijke functie onder deze omstandigheden pleit al niet voor vakbekwaamheid als bewindspersoon.”

CvB: „Het is zeker opmerkelijk dat een niet-jurist het ministerie van Justitie gaat leiden, want het is de eerste keer. Zo was het ooit ook bijzonder dat een niet-militair het ministerie van Defensie ging leiden. Maar vakbekwaamheid van een minister houdt natuurlijk veel meer in dan vakkennis van het desbetreffende departement. Vooral politieke en bestuurlijke vaardigheden zijn onmisbaar in de ministeriële gereedschapskist.”

LvdK: „Zeker, maar dat alleen is onvoldoende. Een minister moet bijvoorbeeld besluiten nemen over aanschaf van militair materieel. Het gebrek aan kennis maakt de excellentie tot een marionet in de handen van de professionele keuzemakers. Het enige wat de minister mag doen is het uitdragen van wat de werkelijke kenners vertellen. Er worden vaak externe partijen ingehuurd om te adviseren. Maar om de juiste partijen te betrekken is er ook alweer eigen kennis nodig. En die ontbreekt. De democratie verdient bewindslieden met meer interne inhoud.”

CvB: „Nu heb je het duidelijk over ministers van Defensie. Welnu, in het begin van de vorige eeuw dacht men ook dat er per se iemand aan het hoofd van dat ministerie (toen nog twee departementen: van Oorlog en van Marine) moest staan die militair was. Maar men kwam erachter dat politieke kennis véél belangrijker was dan vakkennis. Er sneuvelden namelijk te veel ministers voortijdig, juist vanwege hun gebrekkige politiek-bestuurlijke inzicht. En zo verdween het onderscheid tussen ‘technische’ en ‘politieke’ departementen. Alles was politiek! En wat die ‘professionele keuzemakers’ betreft: daar heeft de minister zijn ambtenaren voor. Externe partijen inhuren is bij de core business van een departement helemaal niet nodig.”

LvdK: „Politieke kennis belangrijker dan vakkennis? Inhoudelijke kennis is onontbeerlijk. Een voorbeeld. De aantredende minister van Justitie struikelde als Kamerlid over haar roep om antisemitisme harder te straffen. Het OM corrigeerde haar. Er bestaat geen juridisch kader voor het straffen van antisemitisme. Wel voor het bredere racisme en discriminatie. En nu zit zij op de post waar dit soort basiskennis onontbeerlijk is. Hiaten in kennis worden niet gecompenseerd door politiek-bestuurlijk inzicht. Ons land én de persoon in kwestie moeten hiertegen beschermd worden.”

CvB: „Hoe belangrijk ook, het hebben van vakkennis is bij aantreden geen vereiste. De noodzakelijke kennis van de onderwerpen die op het departement spelen zal de nieuwe minister zich snel eigen maken, voornamelijk met behulp van de ambtenaren. Mijn punt blijft dat het hebben van politieke vaardigheden het belangrijkste is om een succesvol minister te worden – al was het alleen al om in het parlement te kunnen opereren. Niet de geringste opgave voor een minister.”

LvdK: „Ambtenaren zijn loyaal. Maar ambtenaren hebben ook politieke voorkeuren. Regelmatig stroomt er van het hogere ambtenarenkader iemand door naar de Kamer of het ministerschap. Een ministeriële achterstand in kennis mag tot daar aan toe zijn, maar een aanstuurder zónder kennis afhankelijk maken van de ambtenaar met eigen politieke idealen is de kat op het spek binden. De excellentie moet zich dan staande houden met politiek handwerk. Dit is de politieke arena verplaatsen van de Kamer naar het departement. En dat is niet hoe het hoort.”

CvB: „Een minister moet over vele vaardigheden beschikken om het ambt goed te vervullen, om kundig te opereren in de uiteenlopende ‘werkvelden’: de Tweede Kamer en de Eerste Kamer, de ministerraad, het departement zelf en de wereld van de media. Vakkennis, bestuurlijk inzicht en gevoel voor politieke verhoudingen zijn al genoemd. Daarnaast moet een minister ook enorme hoeveelheden informatie kunnen verwerken, standvastig zijn en toch kunnen meebewegen, goed kunnen luisteren, de boodschap goed voor het voetlicht brengen en kunnen overtuigen. De casus die jij beschrijft betreft een bewindspersoon die er niet in slaagt zich de vakkennis zelf eigen te maken. Dan mist hij een vaardigheid.”

Lees ook dit opiniestuk: Ook een zakenkabinet is door en door politiek

LvdK: „Een ontevreden Kamer. De minister draaft op met aangereikte informatie. De ambtenaar zelf blijft zoals het hoort buiten beeld. Het gebrek aan ministeriële brede kennis van zaken wordt opgevangen door ‘politiek gedeal’ tussen de fracties. Einde van het verhaal. Kamer nog steeds niet tevreden? Excuses van de minister, eventueel vertrek en over tot de orde van de dag. Weggekomen zonder de bekende onderste steen boven. Pas bij een eventuele parlementaire enquête komt de ambtenaar met de feiten en de kennis. Niet de minister. De burger verdient beter.”

CvB: „Zoals gezegd: ook vakkennis hoort thuis in de ministeriële gereedschapskist. Maar is dat het belangrijkste ‘instrument’ om de Kamer tevreden te houden? Hoeveel ministers van Justitie die meester in de rechten waren, en dus ‘vakkundig’, zijn er deze eeuw al niet gestruikeld en voortijdig afgetreden? Lees maar eens de prachtige proefschriften Gevallen op het Binnenhof van Charlotte Brand en Verloren vertrouwen van Anne Bos– beide over bewindspersonen die voortijdig hun ambt moesten neerleggen.”