Werken in een distributiecentrum: ‘Ik voel me een aapje dat steeds hetzelfde trucje doet’

Werken in distributiecentra De distributiecentra in Nederland zijn voor hun personeel grotendeels afhankelijk van uitzendbureaus, die flexibele en goedkope krachten leveren uit Oost-Europese landen. Hoe is het voor hen om in dit soort hallen te werken? „Ik weet niet hoelang ik het nog volhoud.”

Het distributiecentrum van Aldi in Roosendaal.
Het distributiecentrum van Aldi in Roosendaal. Foto Folkert Koelewijn

Wat Nederland retour stuurt gaat door zijn handen. Te kleine schoenen, te grote jurkjes, een niet lekker zittende spijkerbroek: elke dag opent Erik Svantner (26) honderden pakketjes die klanten van zes grote modeketens retour sturen. Kleding in goede staat wordt opnieuw verkocht, de rest wordt gerecycled of verbrand. „In het begin vond ik het werk leuk”, zegt Svantner. „Maar ik weet niet hoelang ik het nog volhoud.”

Nederland is distributieland. Nederlanders bestellen steeds meer online. Als gevolg daarvan groeide het aantal vierkante meters distributiecentra in tien jaar met 50 procent tot ruim 39 miljoen vierkante meter. Meest in het oog springend zijn de ‘XXL-centra’, distributiepakhuizen groter dan zes voetbalvelden. In acht jaar openden ruim honderd van deze centra hun deuren. Daar werken voornamelijk arbeidsmigranten, zeker 100.000 volgens een rapport van de Inspectie SZW. Maar wie zijn de mensen die daar werken en wat voor werk doen ze?

Omdat Svantner, opgeleid als beveiligingsmanager, geen goede baan vond in Slowakije verhuisde hij in 2017 naar Nederland. 22 jaar was hij toen hij werk vond in een distributiecentrum aan de rand van Tilburg waar ruim 1.500 mensen werken en in drukke periodes 2.000. Vier jaar later doet hij nog steeds de ‘line support’ – een chique term voor lopendebandwerk. Hij scant retourlabels, pakt pakjes uit, controleert de kleding, vouwt ze op en sorteert ze op maat en merk.

Vijf of zes dagen in de week. Van zes uur ’s ochtends tot twee uur ’s middags. Zijn taken zijn altijd hetzelfde. Het is makkelijk maar mentaal zwaar werk, zegt Svantner. „Elke dag denk ik: ik wil iets bereiken in mijn leven waar mijn ouders trots op zijn.”

Uitzendbureaus

Werk vinden in Nederland vanuit Polen is een eitje, zegt Bernadetta (28), die niet met haar volledige naam in de krant wil, omdat ze geen problemen wil met haar baas. Ze studeerde kunst en humanistiek en werkte als krantenverkoper, maar kon daarin niet doorgroeien. Ze wilde naar Nederland. „Ik heb geen rijke familie en had geld nodig.” Praktisch platzak – „met 100 euro op zak” – reisde ze naar de stad Opole in het zuidwesten van Polen, waar tientallen buitenlandse uitzendbureaus een kantoortje hebben. Ze liet haar cv achter.

Als snel werd ze gebeld: in september 2017 kon ze aan de slag in Nederland. Eerst in een slachthuis, later bij een postbedrijf. Nu werkt ze in hetzelfde distributiecentrum als Svantner waar ze aan de lopende band pakketjes in- en uitpakt voor de modewinkels. Ze werkt als ‘picker’: ze pakt 145 retourpakketjes uit, per uur. En dat vijf tot zes dagen per week.

Distributiecentra zijn voor personeel grotendeels afhankelijk van uitzendbureaus. Die leveren goedkope en flexibele krachten. Met de drukke kerstdagen regelen zij honderden extra medewerkers die vaak werken op tijdelijke contracten. En als er minder werk is, kunnen deze contracten zo weer worden opgezegd. Veel uitzendbureaus hebben hun zaken op orde, maar in het woud van ruim 14.000 Nederlandse uitzendbureaus opereren ook malafide bedrijven.

Dit werk spoelt al je energie weg. In zes jaar tijd heb ik geen enkele cursus of vorm van scholing gekregen

Marek Cudowski medewerker distributiecentrum XPO in Tilburg

Uitzendbureaus regelen naast een baan in het distributiecentrum ook vaak de huisvesting, vertelde Philip Meijran van de Inspectie SZW aan NRC, die begin vorig jaar verschillende controles bij distributiecentra coördineerde. Dat is een gevaarlijke constructie, zei hij, want als de arbeidsmigrant zijn baan kwijtraakt, moet hij ook uit zijn woning. Arbeidsmigranten zitten zo in de ‘tang’ bij het uitzendbureau.

Om dat tegen te gaan schreef een commissie onder leiding van oud SP-leider Emile Roemer in 2020 een rapport met vijftig aanbevelingen die de positie van arbeidsmigranten moet verbeteren. Het toekomstige kabinet Rutte-IV schrijft in het coalitieakkoord de aanbevelingen van de commissie Roemer uit te voeren, die pleit voor strengere regels voor uitzendbureaus, meer controle op de werkvloer en betere huisvesting.

Een arbeidsmigrantenenclave

Svantner bemachtigde drie jaar geleden samen met zijn Poolse vriendin, haar zusje en diens vriend – die ook allemaal in hetzelfde distributiecentrum werken – een gezinswoning in Dongen, een dorpje dichtbij Tilburg. Zijn straat is een arbeidsmigrantenenclave. In de drie huizen links van hem wonen allemaal buitenlandse collega’s die hij tegenkomt op de werkvloer. Alleen de buren rechts zijn Nederlanders.

Deze week heeft Svantner ochtenddienst en gaat zijn wekker om 04.00 uur. Hij eet elke ochtend havermoutpap met aardbeien, honing, en drinkt koffie. Zijn lunch („altijd vlees, kip of vis”) bereidt hij een dag eerder voor. Om 05.30 uur stapt hij in de auto voor een ritje van tien minuten naar Tilburg. Als zijn vriendin, haar zusje en diens vriend ook ochtenddienst hebben, rijden ze mee – in stilte. Svantner: „We wisselen geen woord.”

Aanvankelijk hadden ze het naar hun zin in het distributiecentrum. Het betaalt prima („12,40 per uur”), zegt Svantner, die sinds een jaar zelfs een vast contract heeft. Bijna twee euro meer dan het minimumloon.

En omdat er een tekort is aan personeel word je niet snel ontslagen, zegt Bernadetta, die via een uitzendcontract werkt. „Ik kom vaak te laat.” Svantner maakte veel vrienden in zijn eerste jaar bij het bedrijf en dronk na werk vaak met collega’s een biertje.

Maar na verloop van tijd nam hun werkplezier af. Praatjes met collega’s zijn niet toegestaan, zeggen Svantner en Bernadetta, muziek luisteren ook niet. „Individuele koptelefoons zijn om veiligheidsredenen niet toegestaan”, erkent een woordvoerder van XPO, zoals het distributiecentrum in Tilburg heet, „maar er zijn geen beperkingen om met elkaar te spreken.”

Managers zijn strenger geworden, zeggen Svantner en de anderen. En ook de omgang tussen collega’s is zo goed als verdwenen. Svantner: „Ik werk met honderd man op mijn afdeling, maar maak met niemand meer een praatje.” Toen een collega recent na drie jaar vertrok „boeide dat niemand”, zegt hij. „Alsof we slechts nummers zijn.”

Het distributiecentrum van de Primark in Roosendaal. Foto Folkert Koelewijn

Ingekorte pauzes

Ook de werkdruk nam toe. De pauzetijden werden korter. „We moesten na het uitklokken nog langs de beveiliging voordat we echt konden pauzeren”, zegt Svantner. „Die controle kostte vijf minuten op de heenweg en vijf minuten op de terugweg. Die tijd werd van onze pauze afgetrokken.” Daardoor liepen Svantner en zijn collega’s 10 minuten van de 45 minuten pauze mis – de tijd om rustig te lunchen of een sigaret te roken. Een aantal collega’s stelde een petitie op. Die werd door 700 mensen getekend, volgens vakbond FNV die de actie ondersteunde. Naar schatting werken in Tilburg ruim duizend mensen bij XPO.

Omdat XPO niet reageerde trok FNV met een groepje arbeidsmigranten naar het hoofdkantoor van H&M in Amsterdam, een van de opdrachtgevers voor XPO. De deur bleef dicht. Toen ze een winkel van H&M in Amsterdam bezochten, kwam er wel een reactie vanuit de top van XPO. „We hebben de tien minuten extra terug”, zegt Svantner. XPO en H&M zijn „blij” dat de pauzekwestie is opgelost.

Het werk zelf valt na verloop van tijd zwaar. Als Bernadetta vrij is leest ze graag fantasyboeken en klassieke romans en bezoekt ze het museum, maar tijdens werk gebruikt ze amper haar hersenen, zegt ze. „Dat is moeilijk. Ik voel me een aapje dat steeds hetzelfde trucje doet.”

De ochtend- en avonddiensten zijn bovendien uitputtend, zeggen ze. Door de wisselvallige diensten en het weekendrooster blijft er weinig tijd over voor een sociaal leven. Marek Cudowski (44), die zes jaar bij het bedrijf werkt, zou graag Nederlands leren, maar hij heeft er na een werkdag geen tijd en energie meer voor. Cudowski: „Dit werk spoelt al je energie weg. In zes jaar tijd heb ik geen enkele cursus of vorm van scholing gekregen.” Svantner probeert het wel. Elke dag neemt hij een schriftje met Nederlandse woorden mee, en probeert die tijdens de dienst uit zijn hoofd te leren.

Taalbeheersing is geen verplichting voor EU-burgers om in Nederland te wonen. Cudowski, Svantner en Bernadetta moeten het daarom zelf betalen en regelen. „Maar”, zegt Bernadetta, „assimileren is moeilijk als er op het werk alleen Pools en Engels wordt gesproken.”

Hun toekomst ligt buiten het distributiecentrum, dat weten ze zeker. Het verbaast Cudowski zelf dat hij sinds zes jaar bij het bedrijf werkt. „De meeste mensen werken hier maar een paar maanden.” Bernadetta houdt het nog wel een paar jaar vol, zegt ze. Terug naar Polen wil ze niet vanwege de politieke situatie daar. „In Nederland voel ik me vrij, wil ik de taal leren, doorstuderen en uiteindelijk zzp’er worden.”

Hoewel Polen „lonkt” wil Cudowski de komende jaren in Nederland blijven, zegt hij, omdat hij „jaren geïnvesteerd heeft” in zijn verblijf in Nederland. Svantner mist Slowakije, maar denkt dat het lastig is daar een goede baan te vinden. Steeds meer bekruipt hem het gevoel dat hij zijn tijd verspeelt. „De afgelopen jaren voelen als verloren.”