Hoe maak je die grote bedrijfshallen aantrekkelijk? Met een enorme waterspuwer, of een voetbalveld op het dak, zeggen deze architecten

Architectuur Mooier dan open landschap wordt het toch niet. Maar wie grote hallen neerzet, kan die met wat inspanning ook best aantrekkelijk maken. De landelijke overheid moest maar eens strenger worden, vinden architecten.

Kantoor en fabriek van CONO Kaasmakers, producent van Beemsterkaas
Kantoor en fabriek van CONO Kaasmakers, producent van Beemsterkaas Foto Eugene C. Daams

De mooiste bedrijfshal van Nederland? Architect Merten Nefs, bezig met promotieonderzoek naar de ruimtelijke impact van logistiek, heeft het antwoord snel paraat: het gebouw van Cono Kaasmakers in de Beemsterpolder.

Het is een lang, glazen gebouw dat precies in lijn ligt met de verkaveling van het onder Unesco-bescherming staande polderlandschap, schetst Nefs. Van de provincie mocht er vanwege die status ook niet zomaar een gebouw komen. Cruciaal: de bedrijfshal is doorzichtig. Je ziet de opgeslagen kazen liggen – en kaas, dat hoort bij de Beemsterpolder.

Nefs: „Glas maakt dat je de processen kan zien. Het irriteert mensen als er een groot ding voor hun neus komt te staan en ze geen idee hebben wat er gebeurt.”

Weinig gebouwtypes zijn op dit moment zo gehaat als grote bedrijfshallen. Met de snelle groei van het fenomeen nam de afgelopen jaren ook de kritiek toe op hun impact op het landschap. Met name in de zuidelijke helft van Nederland klinken klachten over ‘verdozing’.

Parallel daaraan valt de roep te horen om extra eisen te stellen aan distributiecentra – wat tot dusver bijna altijd achterwege bleef. Als gemeenten fel strijden om vestiging van een distributiecentrum, laat de wethouder vaak na een ontwikkelaar te dwingen er iets moois van te maken. Daardoor verschijnen in wildwesttempo simpele en goedkope hallen.

Hoe zou het er uitzien als zulke eisen worden gesteld? Hoe maak je een distributiecentrum beter – of misschien zelfs mooi? Zijn daar voorbeelden van?

NRC vroeg Merten Nefs en Wouter Veldhuis, stedenbouwkundige en Rijksadviseur voor de Fysieke Leefomgeving, naar hun ideeën.

XXL

Wie rondrijdt op het XXL-distributiepark van Venlo, een van de grootste in z’n soort van Nederland, ziet maar vrij weinig van de distributiecentra. Het zijn vooral de bovenkanten van de hallen die boven de aarden walletjes uitsteken. Vaak staan op die dijkjes nog bomen. „De laadstations voor vrachtwagens zijn er eigenlijk aan het zicht onttrokken”, zegt Nefs. „Daardoor ziet het er erg rustig uit.”

Nefs, die promoveert aan de TU Delft, rondde recentelijk een deelonderzoek af naar de vraag waarom hier relatief veel aandacht aan de omgeving is besteed. Zijn conclusie: in Venlo hebben veel partijen, waaronder gemeente en Rijk, samen goed opgelet en concrete eisen gesteld. Dat het Rijk zich ermee bemoeide, kwam doordat Venlo een nationale status kreeg als ‘greenport’: een distributielocatie voor tuinbouwproducten.

Het irriteert mensen als er een groot ding voor hun neus komt te staan en ze geen idee hebben wat er gebeurt

Merten Nefs architect

De distributiecentra enigszins aan het oog onttrekken door de aanleg van groen, is een voor de hand liggende manier om hun effect op het landschap te beperken. Daarbij geldt volgens Rijksadviseur Veldhuis wel: hoe grootschaliger het groen, hoe beter. De Venlose aanpak vindt hij nog wat beperkt. „Je moet niet een bomenrijtje neerzetten, maar eigenlijk een natuurbuffer aanleggen.” Echt een groot bos, dus, met misschien een meertje erbij. „Alles wat zo’n complex afpakt, moet binnen het bedrijventerrein worden opgelost.” Anders is het meer een „schaamstukje”, vindt hij. „Ook met veel natuur blijft het een soort wegmoffelen, maar wel stevig.”

Nefs vertelt op dit moment in gesprek te zijn met Flevoland. Die provincie merkt dat ze in trek is voor logistiek vastgoed, en wil tegelijkertijd veel meer hectares bos. „Zij vraagt: kunnen we dat combineren?”

Dit laat zien dat menig oplossing een kwestie van experimenteren is. „Het is nog een zoektocht”, zegt Nefs. „XXL-logistiek bestaat nog niet zo lang, en de ruimtelijke kwaliteit van industrieterreinen vonden we nooit zo belangrijk. In de woonomgeving hebben we al veel langer een traditie van stadsontwerp en stedenbouw. Hier beginnen we pas net naar de kwaliteit te kijken.”

Rhenus logistics in Tilburg. Foto Merlin Daleman

Snelwegarchitectuur

Hetzelfde geldt bij het sleutelen aan de gebouwen zélf, in plaats van aan de omgeving. Nefs kent een paar geslaagde voorbeelden. De kaasfabriek in de Beemster dus, en de grote hal van logistiek bedrijf Rhenus langs de A58 in Tilburg. Dat gebouw heeft relatief veel glas, en een gevel met een heel lange kromming. Een fraai stukje snelwegarchitectuur, vindt Nefs. „Er zit een soort snelheid in.” Het gebouw lijkt gemaakt om er hard langs te rijden. „Tegelijkertijd probeert het niet te verbloemen dat het een grote hal is.”

Daar beginnen Nefs en Veldhuis allebei over. Glas is prima, dat helpt altijd – niet voor niets hebben mensen geen hekel aan kassencomplexen. Maar je moet verder hallen niet al te krampachtig opleuken door aan hun uiterlijk te gaan sleutelen. Veldhuis: „Het zijn lelijke dingen. Maar alles wat je doet om het leuk te maken, maakt het sneuer. Net als op galerijflats een hip kleurtje schilderen, of een kunstenaar er vierkanten en driehoeken op laten aanbrengen.”

Distributiecentra moeten accepteren dat ze groot en invasief zijn. Je moet ze niet „aanvallen” met leuke dakrandjes, aldus Veldhuis. Wat hij wel voor zich ziet, is dat er „iets interessants” gebeurt, gerelateerd aan de omvang, dat je misschien zelfs laat nadenken. „Bij Lelystad staat een grote hal met aan het eind een enorme waterspuwer die eindigt in een vijver.” Laat dus bijvoorbeeld de regenpijpen achterwege en maak gewoon één grote regenpijp, zoals die waterspuwer, die al die kubieke meters water van het enorme dak afvoert. „Dan vier je hoe groot en gigantisch dat ding is. Je zet de grootte voor iets in.”

Dat gebeurt ook wanneer je op het dak een zonnepark aanlegt, of groen, of een voetbalveld desnoods, zoals op het dak van IKEA in Utrecht. Esthetisch maakt dat misschien weinig uit, maar je vergroot het nut van een distributiecentrum en daarmee het draagvlak. Dan moeten de ontwikkelaars wel investeren in een beter draagvermogen van het dak – wat nu vaak niet gebeurt.

Het distributiecentrum van de Primark in Roosendaal. Foto Folkert Koelewijn

Schaarse grond

Nefs hoort in gesprekken met vastgoedpartijen wel eens dat ze helemaal niet tegen landelijke eisen zijn, als de voorwaarden maar voor iedereen gelijk zijn. Betalen kunnen ze het wel. „Dat is echt peanuts vergeleken bij de winsten.” Maar sommige ontwikkelaars vrezen volgens Nefs dat beleggers overstappen als de een veel meer investeert in de kwaliteit van gebouwen dan de ander.

Hij vermoedt dat het langzamerhand wel de goede kant op zal gaan. Grond begint namelijk schaars te worden. Daardoor kunnen gemeenten hogere eisen gaan stellen zonder vrees dat een ontwikkelaar naar een andere locatie dreigt te vertrekken.

Nefs: „Je begint nu wel eens te horen over echte bidbooks, waarin ontwikkelaars schrijven wat ze allemaal voor moois gaan doen.” Zo hopen ze de grond binnen te slepen. Ook de rijksoverheid dringt in haar Nationale Omgevingsvisie van 2020 aan op het ‘multifunctioneel’ gebruik van daken van distributiecentra, hoewel hier nog veel vaag over blijft.

Veldhuis zou het liefst zien dat met veel hardere hand wordt ingegrepen. Écht mooier dan het open landschap zal het nooit worden, dus wat hem betreft is het beste distributiecentrum er een gebouwd op een oud bedrijventerrein.

Dat moet de overheid dan eigenlijk afdwingen. „Als je het buitengebied op slot zet, wordt het financieel de moeite waard bestaand terrein te herstructureren. Dat is gewoon goede ruimtelijke ordening.”