Opinie

Slaapfaalangst

Ellen Deckwitz

Na iedere jaarwisseling slaap ik slecht. Het is januari, de teller staat weer op nul en in plaats van actie te ondernemen, lig ik dan vooral ’s nachts naar het plafond te staren. „Zo hee”, zei de neef (16) toen ik hem ophaalde om te gaan hardlopen, „je lijkt net tante Margot.”

Margot was de oudste zus van mijn vader. Ze rookte sinds haar negende en geloofde niet in fruit, waardoor haar hoofd er tegen haar dertigste uitzag als een greppel. Ik vertelde dat ik niet goed sliep, waarop mijn neef verbaasd zei hij dat hij daar nou nooit problemen mee heeft, inslapen gaat altijd vanzelf, binnen vijf tellen is hij onder zeil, vannacht haalde hij nog de dertien uur, zo moeilijk is het toch niet, je hoeft er alleen maar voor te gaan liggen, gewoon niet meer nadenken ha ha ha.

Na de neef uit mijn testament te hebben geschrapt, lag ik die avond weer te wachten tot de oogleden zwaar werden. Er gebeurde niets. Wat ook niet helpt, is dat ik lijd aan gedeeltelijke dyscalculie: overdag ben ik een ramp in hoofdrekenen maar ’s nachts weet ik na een enkele blik op de klok direct hoeveel minuten er nog resteren voor de wekker gaat, wat voor allemaal extra adrenaline zorgt waardoor je nog veel langer wakker ligt. Om de boel nog stressvoller te maken, had ik de volgende dag een bomvolle agenda en begon ik te piekeren over wat er wel niet mis zou gaan wanneer ik niet goed sliep. Ooit sprak ik een jongen die doodsbang was om naar bed te gaan, omdat hij vreesde in zijn slaap te sterven. Ik snapte niet waar hij moeilijk over deed. Overlijden is voor mij geen probleem, onderpresteren wel.

Met ieder uur nam de slaapfaalangst toe. Tegen beter weten in zette ik rond half vier de computer aan, in de hoop op afleiding. Al dolende stuitte ik op een interview in Trouw met marathonloopster en sportvrouw van het jaar Sifan Hassan, waarin ze vertelde dat we veel meer kunnen dan we denken.

„Als we denken dat we moe zijn”, zei ze, „hebben we pas twintig procent van onze energie gebruikt. De rest blijft onbenut.”

Dat hielp. Het idee dat iemand gouden medailles haalde terwijl haar lichaam haar probeerde wijs te maken dat ze moe was, ook al was er nog genoeg energie. Dat alles alsnog goed komt terwijl je doodop bent. Binnen enkele momenten viel ik in slaap. Ik had er niets aan, lekker was het wel.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.