Hoe langzaam is 30 kilometer per uur eigenlijk?

Praat over de straat De maximumsnelheid in Rotterdam gaat omlaag, maar een peuter vrij met een bal laten spelen kan met ‘30’ nog steeds niet.

Illustratie Fokke Gerritsma

‘Wen er maar aan!’, kopte het Algemeen Dagblad over het plan om de maximumsnelheid omlaag te brengen in achttien Rotterdamse straten waar je met de auto nu nog 50 mag. Uitroepteken. Ontzetting vanuit het perspectief van de automobilist. Wel begrijpelijk. Rijd 30 kilometer per uur met de fiets, en je vliegt. Rijd 30 met de auto, en je kruipt. Zo’n machine is nu eenmaal gebouwd om drie, vier, vijf, zes keer zo hard te gaan.

En deze maatregel raakt niet alleen de mens in de auto. Openbaar vervoersbedrijf RET waarschuwt op de website van omroep Rijnmond dat de dienstregeling van de bussen erdoor in de knel komt. Dat is een argument waar mensen die afgelopen decennia een verlaging van de limiet voorstelden telkens weer op vast liepen. Nog eentje: ambulance, brandweer en politie halen hun aanrijtijden niet meer. En wie ligt te creperen in een ambulance wil ook niet dat die – hobbeldebobbel – over een drempel moet.

Protestbrunches op de stoep

Afgelopen zomer organiseerden bewoners van de Walenburgerweg, achter het Centraal Station, twee protestbrunches tegen ‘50’ en voor ‘30’. Ik ging kijken. De demonstranten serveerden zelfgebakken cake, netjes op de stoep, zonder het verkeer te hinderen. Bewoner Pieter Kuiper, van het organisatiecomité had A4’tjes op de stoep geplakt met het ronde 30-bord erop. Daaronder verkeersveiligheidsweetjes zoals: ‘Aangereden fietsers hebben 9 à 10 keer meer kans om er goed vanaf te komen bij 30 dan bij 50 km/u!’

In de petitie die hij opstelde voor de straat wees Kuiper erop dat er over de Walenburgerweg scholieren naar en van tien verschillende scholen in de omgeving fietsen. En dan heb je ook nog alle fietsers van en naar het station. Volgens de 112-meldingen is afgelopen jaar ten minste elf keer een ambulance of politiewagen naar de Walenburgerweg gereden vanwege een ongeval, vaak met letsel. Linksaf slaan met de fiets of scooter betekent je overgeven aan het verkeersgeweld. Maar de hulpdiensten houden dus zelf de snelheidsverlaging tegen, omdat wij van ze eisen dat ze binnen een kwartier ter plaatse zijn.

Toch gaat het nu gebeuren, hier, in de stad, in het land en in de wereld: het wordt 30. Maar hoe langzaam is dat eigenlijk? Wat als je het uitdrukt in een lengtemaat waar een mens zonder auto gevoel bij heeft? Dan is het: acht meter per seconde. In die tijd rijd je met je auto twee parkeerplaatsen voorbij. Acht meter is de diepte van een doorzonwoning en de afstand tussen de voor- en achterbanden van een kleine vrachtwagen. Een peuter vrij met een bal laten spelen is er met ‘30’ dus nog steeds niet bij. Zo bezien is de vraag van de Walenburgers en andere bezorgde straatbewoners of het alsjeblieft 30 mag worden in plaats van 50 nog bescheiden.

Waarom spreken we überhaupt over de publieke ruimte in termen van ‘50’ of ‘30’?

En dan schrijft het AD: ‘Wen er maar aan!’, alsof de redactie vanuit de auto heeft zitten te werken. „Waarom is het perspectief van de automobilist gekozen?”, reageert Adriaan Korthuis, een actieve burger (uit West) op Linkedin. „Je kan ook berichten: ‘Eindelijk, veilige straten in zicht’ en vervolgens berichten over het tegengaan van ongelukken, sluipverkeer en andere ongemakken die nu voor bewoners worden opgelost.” Korthuis zegt blij te zijn dat het 30 wordt voor zijn deur.

Je kunt nog een stapje verder achteruit doen. Je afvragen waarom we überhaupt over de publieke ruimte spreken in termen van ‘50’ of ‘30’. Waarom richten we de straten van een stad in aan de hand van de maximumsnelheid van een motorvoertuig?

En organisatorisch: betekent dit dat een verkeerskundig expert opnieuw mag bepalen hoe die ‘30’-ruimte wordt ingericht, alsof het om een technische ruimte gaat, in plaats van een straat? Kunnen we de behoefte om ons te verplaatsen niet een plek geven zonder er alle andere activiteiten in de openbare ruimte voor op te offeren?

Revolutionaire ontwikkeling

Het kan. In de stad Groningen is vlak voor Kerst de Ontwerpleidraad Leefkwaliteit Openbare Ruimte aangenomen. En die is revolutionair. Ook in Groningen kun je je in de toekomst nog via de straat van de ene naar de andere plek verplaatsen. Maar de straat heeft negen andere formele functies gekregen, of misschien is het wel: teruggekregen.

Een straat, vinden ze in Groningen, hoort toegankelijk en veilig te zijn. Het is een ruimte voor economische activiteit en voor klimaatadaptatie. Een plek voor sociale interactie en een gezond bestaan, voor ecologie, voor beleving en voor cultuurhistorie. Allemaal zaken van waarde die je niet kunt uitdrukken in een snelheidslimiet. „Mobiliteit is niet langer maatgevend”, zo heet het. Het verkeer is weer tien procent van het verhaal.

En dus mogen, moeten ook ecologen, gezondheidsdeskundigen, cultuurhistorici en misschien zelfs (spannend idee!) bewoners mee gaan denken en beslissen over de inrichting van de straat. Dat wordt pas een gevalletje ‘wen er maar aan!’