Recensie

Recensie Boeken

Had ik maar een officiële reden om sneu te zijn

Sylvie Marie Een verongelijkte zeikerd die niets beleeft: dat levert tóch een roman op die je wilt blijven lezen. Sylvie Marie blinkt uit in het nauwgezet maar speels beschrijven van gebaal en benauwenis.

De Sint-Michielsbrug in het centrum van Gent
De Sint-Michielsbrug in het centrum van Gent Foto LightFieldStudios

‘Kallakssss,’ murmelt Roderik Deroo, bijna dertig. Hij zit aan zijn Kallax-bureau op zijn Örfjäll-stoel te balen in zijn huis aan de Gentse Stropstraat. Hij wil iets van betekenis schrijven, een verhaal om naar een literair tijdschrift te sturen, maar hij weet niets te verzinnen. Zijn vrouw Caro dreutelt om hem heen met een wasmand, die ze onder ‘een luid ge-hèhè’ neerzet. ‘Plof deed hij op het laminaat.’ Vervolgens begint ze te klagen over ‘De Keukenspecialist’, een handel in keukens die een verkeerde deur op de ijskast plaatste. De vervanging door de juiste is een slepende kwestie waarin zij zich vastbijt. Valt er hier verder nog iets te beleven? Iets echts, iets ergs? Neen.

Auteur Sylvie Marie (1984), vooral bekend als dichter in Vlaanderen, waagde zich in haar tweede roman Alles valt aan het doodnormale. Ze beschrijft het leven van kleine luyden, gedoemd om kleine luyden te blijven. Sympathiek is hoofdpersoon Roderik ook al niet. Het is een verongelijkte zeikerd die aldoor het gevoel heeft dat het leven hem een streek levert. Niets ligt aan hem, alles is hem overkomen, hij onderneemt niets behalve het lezen van online opsommingen zoals van ‘de gevaarlijkste plekken op aarde’, ‘de somberste plaatsnamen op aarde’ of ‘30 signs you’re almost 30’. Hij ontpopt zich tot een stiekeme alcoholist. En toch wil je over hem en zijn impasse lezen, wat een prestatie mag heten.

Gekker en destructiever

Sylvie Marie, een pseudoniem van Sylvia De Coninck, blinkt uit in het nauwgezet maar speels beschrijven van gebaal en benauwenis. De situaties die ze oproept, de korte dialogen tussen de echtelieden en de inkijkjes die ze biedt in Roderiks hoofd boeien dankzij haar humor. Vertrekkend vanuit herkenning – wie kent er niet de sleur van het huiselijk leven? – trekt zij geraffineerd een lijn door naar ontsporing. De op het oog zo doorsnee Roderik blijkt gekker te zijn dan je dacht, en zelfdestructiever. Als zijn zoontje in het ziekenhuis belandt en hijzelf in de plomp, ben je geneigd terug te bladeren, het voorafgaande opnieuw te lezen. Niets van de ontwikkeling is onlogisch of werkelijk onvoorzien, en toch ben je verrast – onder de minutieuze beschrijving van het dagelijks leven in de Stropstraat gaat dieper leed schuil dan pure sleur. Dan pas krijg je bijvoorbeeld door hoeveel de hoofdpersoon zuipt. Het staat er wel, maar je leest er in eerste instantie overheen. Er zit raffinement in Alles valt: de op het eerste gezicht rechttoe-rechtaan geschreven roman biedt allerlei subtiele verrassingen en onthullingen.

Roderik de zakkenwasser komt er uiteindelijk achter dat hij aan ‘lachesisme’ lijdt, een term uit een online woordenboek getiteld ‘The Dictionary of Obscure Sorrows’. Het is de hunkering om iets rampzaligs mee te maken, een brand, een verkeersongeval, iets wat een breuk in het kabbelende leven veroorzaakt, en waarschijnlijk ook: iets wat je een officiële reden geeft om sneu te zijn, en je zo te gedragen. Hij betrapt zich er tot zijn schrik op dat hij eventjes hoopt dat zijn zoontje niet helemaal beter wordt, als die in het ziekenhuis ligt. Ellende bezorgt houvast, een identiteit, een functie. Het tasten en het zoeken is over wanneer Roderik samenvalt met het puur zijn van een bezorgde ouder.