James August en zijn vrouw Eslene wonen in Kaapstad in een vangrail langs de snelweg. „Hier valt niemand ons lastig.”

Foto Ashraf Hendricks

‘Acht jaar probeerde ik van deze verdeelde stad mijn thuis te maken, maar ik kan niet zeggen dat het is gelukt’

Zuid-Afrika Correspondent neemt afscheid van Kaapstad, een stad van ballingen. ‘Het is tijd voor mij om naar huis te gaan.’

Het is een woeste Kaapse ochtend. De zuidoostenwind botst tegen de Tafelberg en verkilt de warme lucht boven de stad. In de verte danst een Duits containerschip op de golven van de Atlantische Oceaan. De stad ruikt naar zoute zee en eucalyptus. Ik maak mijn laatste ronde.

De meeste ochtenden beginnen met een wandeling op het pad naar Seinheuwel, zo genoemd door de Nederlanders die hier sinds de zeventiende eeuw de Kaap rondden en met vlaggen vanaf deze heuvel schepen waarschuwden op slecht-weer-dagen als deze. De heuvel is bezaaid met tombes van Indiase, Maleisische en Javaanse moslimleiders die zich verzetten tegen de koloniale invasie van hun land en door de Hollanders voor straf als slaven naar de Kaap werden gestuurd. Kaapstad was hun ballingsoord.

Vroege joggers zigzaggen behendig om de graven en zuigen hun longen vol frisse zeelucht. Maar ik kan er niet om heen: meer dan een kwart eeuw na de val van de apartheid is dit nog altijd een koloniale stad, waarvan de wrede ontstaansgeschiedenis de overweldigende schoonheid van de natuur een vieze bijsmaak heeft gegeven. Een gespleten stad, waarin de villa’s van de hoofdzakelijk witte rijken rond de voet van Signaalheuwel en de Tafelberg krullen, met uitzicht op die onmetelijke zee, en de armen zijn verbannen naar de schaduwkant van de berg, in de krottenwijken op de eindeloze Kaapse vlaktes.

Acht jaar lang probeerde ik van deze verdeelde stad mijn thuis te maken, maar ik kan niet zeggen dat dit is gelukt. Kaapstad bleef altijd voelen als een verversingsstation, zoals ooit voor de schepen. Een tijdelijke tussenstop op weg naar andere bestemmingen. De verhalen die buiten de muren rond mijn huis lagen, negeerde ik liever. Misschien omdat ze te dicht bij kwamen en mij te medeplichtig maakten aan dit multiculturele drama. Vrienden uit Nederland die op bezoek kwamen, stelden altijd dezelfde ongemakkelijke vragen. Hoe kun je leven met die schrijnende ongelijkheid?

Ik verdedigde me altijd met mijn overtuiging dat de bewaakte muren rondom mijn huis niet meer dan een Zuid-Afrikaanse versie waren van de kustwacht bij Lampedusa of Lesbos, het eiland waar Europeanen de armen laten creperen. Het particuliere bewakingsbedrijf in mijn straat? Dat was onze Frontex. De politie die ’s ochtends de daklozen wegstuurde op de stoep van de restaurants? Dat waren onze pushbacks. Het verschil tussen een Europeaan en een Zuid-Afrikaan is dat de Zuid-Afrikaan niet weg kan kijken. De andere kant staat voor je, zo gauw je de voordeur uitstapt. Verdringen kan alleen als je de ramen van de auto dichthoudt.

Joggers op het pad naar de Seinheuwel, met uitzicht op de Atlantische Oceaan en de welvarende woonwijk Seepunt. Foto Ashraf Hendricks

Nieuwe krotten

Op de stoep langs de boulevard op weg naar mijn kantoor verschenen de afgelopen maanden nieuwe krotten. „Dit is nu thuis”, zegt Ismael Petersen, en tilt het plastic op waaronder zijn vrouw Vanessa in alle vroegte nog ligt te slapen. Tot de uitbraak van Covid in het voorjaar van 2020 woonden ze in een appartement in Delft, een township op de Kaapse Vlakten. „Met een badkamer en twee slaapkamers”, zegt Petersen trots. Zijn vrouw is getraind verpleegster, maar werd arbeidsongeschikt verklaard na een rugblessure. Hij werkte op de grote vaart en zag de hele wereld: „Tokio, New York, Rotterdam”, zegt hij met een twinkeling in zijn ogen. Ze verloren allebei hun baan en een paar maanden later hun huis. Petersen opent de grijze kliko die nu dient als opbergkast. Er zitten groezelige kleren in. Vanessa’s toilettas is de dag ervoor door een andere dakloze meegenomen. „Als we even niet hier zijn, dan wordt alles van waarde gestolen. Op straat raak je steeds alles kwijt. Alles wat ik wil is een huis en een normaal leven.”

Dit is een stad van thuislozen, ballingen als gevolg van de geschiedenis, migratie of pandemie. Een stad gebouwd door de nazaten van het achtergebleven personeel van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), die de oorspronkelijke bewoners met geweld steeds weer van hun grond verdreven. Tot 1936 kon je van de regering in Pretoria zelfs een jachtvergunning krijgen om op San-herders in de Kaap te schieten, als wild in hun eigen land.

De bulldozers van het apartheidsregime maakten hele wijken in het stadscentrum met de grond gelijk om alle niet-witte bewoners naar de Kaapse Vlakten te verbannen. Wie nu – in tijden van democratie – terug wil komen, moet geld hebben.

„Ik wilde in een echt huis wonen, maar als je niks hebt dan wordt de straat je thuis”, zegt James August. Hij zwerft al 21 jaar over straat met zijn vrouw Eslene. Toen het gemeentebestuur van Kaapstad rond het WK voetbal in 2010 de daklozen uit het stadscentrum verbande, besloten ze onder een tentzeil in de vangrail langs de snelweg N1 te gaan wonen. Het lawaai van het langsrazende verkeer is oorverdovend. „Dit is de vredigste plek van Kaapstad. Hier valt niemand ons lastig. Het lawaai houdt de politie en de dieven weg”, schreeuwt August. Zijn woorden komen maar net uit boven het lawaai van een passerende vrachtwagen.

Ismael en Vanessa Petersen, dakloos sinds de Covid-uitbraak.
Foto Ashraf Hendricks
Daklozen leven naast een snelweg die niet is afgebouwd in het centrum van Kaapstad.
Ashraf Hendricks
Daklozen kamperen naast een tennisbaan in Kaapstad.
Foto Ashraf Hendricks
Dit is een stad van thuislozen, ballingen als gevolg van de geschiedenis, migratie of pandemie.
Foto’s Ashraf Hendricks

‘We willen bloed zien’

Zijn laatste huis was Pollsmoor. Dat is de gevangenis waar Nelson Mandela eind jaren tachtig vlak voor zijn vrijlating verbleef. Pollsmoor wordt gerund door de drugsbendes met ieder hun eigen nummer: 26, 27 of 28. Ieder van die bendes heeft zijn eigen specialisme. De 26 doet in gokken en diefstal. De 27’s zijn de onderhandelaars tussen de bendes. De 28’s zijn de soldaten, die leven volgens strikte regels. „Wie wil toetreden tot de 28-gang, moet een cipier neersteken. Je hoeft hem niet te doden, maar we willen wel bloed zien”, zegt Igshaan Malik.

Hij woont al negen jaar onder een stuk plastic op het uiteinde van een talud dat nooit is afgebouwd. Achter hem doemen de ramen op van een bank en een vijfsterrenhotel. Geboren in een van de townships op de Kaapse vlakten, de ballingsoorden van de niet-witte Kapenaren, verdiende hij zijn sociale status in de gevangenis. Op zijn linker- en rechterschouder zijn sterren getatoeëerd, als een hoge officier in het leger. Daaronder staat ‘seks’, in hoofdletters. „Als een soldaat terugkeert van het slagveld, heeft hij recht op een vrouw”, glimlacht Malik. Wie in de 28-bende geen soldaat is, is een wijfie, dat te allen tijde ten dienste staat van de strijders. Zo zijn de huisregels.

Zijn leven niet zeker

„Wat ik het meest mis aan thuis, is mezelf”, zegt Cain Mudenga, die zoals elke ochtend koffie schenkt in de Duitse bakkerij tegenover mijn huis. Hij is geboren op het platteland in het noorden van Zimbabwe. Hij studeerde landbouwstudies en droomde van een toekomst als boer, totdat hij door de economische chaos thuis werd gedwongen uit te wijken naar buurland Zuid-Afrika. „Maar hier sta ik altijd in de schaduw van een Zuid-Afrikaan. Ik ben mezelf kwijt geraakt.”

Het bedrijf van zijn eerste werkgever, een Pakistaan, werd tot de grond toe afgebrand door Zuid-Afrikanen, die geen buitenlanders in hun wijken duldden. Sindsdien werkt hij in Kaapstad voor een Duitse bakkersvrouw. Ook hier is hij zijn leven niet zeker nadat de minister van Binnenlandse Zaken vorige maand aankondigde alle verblijfsvergunningen van Zimbabwanen te willen intrekken. „Hij moet verkiezingen winnen. Ik snap het wel”, zegt Mudenga. „Na tien jaar heb ik nog altijd geen verblijfsvergunning. Het is tijd voor mij om naar huis te gaan.”

Ik knik. Wie van huis gaat, laat zichzelf achter. In Kaapstad was ik een man van middelbare leeftijd, maar een man zonder verleden. De vader van een schoolgaande dochter. De buurman van twee meter, met een Nederlands accent. Een schim van de geschiedenis die achterbleef in het dorp van mijn ouders, die hun hele leven niet zijn verhuisd.

Rodney Bartman (midden) is de president van de Republiek Zuidland.
Foto Ashraf Hendricks
Rodney Bartman is de president van de Republiek Zuidland.
Foto Ashraf Hendricks
Zuidland telt nu zeventig inwoners, volwassenen en kinderen samen.
Ashraf Hendricks
Vooralsnog is Republiek Zuidland niet meer dan een boerderij met een aantal paalwoningen in aanbouw, een bar en een barbecue.
Foto’s Ashraf Hendricks

In de zoektocht naar een thuis zag ik de bewoners van deze stad luchtkastelen bouwen, was het niet met plastic, dan wel met radicale ideeën. Ik rijd de stad uit en neem de weg langs de westkust, waar het asfalt verkruimelt tot een zandweg die eindigt bij een boerderij die ooit Pompoenskraal heette. Ik word ontvangen door Rodney Bartman, een witte man die zich voorstelt als de president van de republiek Zuidland. Hij draagt een legershirt en een pet met daarop een vlag die lijkt op de oude apartheidsvlag van Zuid-Afrika: oranje-blanje-bleu. „We zijn alles kwijt geraakt in dit land: onze cultuur, onze erfenis, alles wordt ons afgenomen. Het ANC domineert ieder aspect van ons leven. De enige manier om van ze af te komen, is door afscheiding”, zegt Bartman. Naast hem zit Carlo Viljoen, een advocaat die de grondwet van Zuid-Afrika en het handvest van de Verenigde Naties heeft bestudeerd.

Viljoen heeft er alle vertrouwen in dat de rechter in maart van het nieuwe jaar onafhankelijkheid zal toekennen aan de Republiek Zuidland. Vooralsnog is dat niet meer dan een boerderij met een aantal paalwoningen in aanbouw, een bar en een barbecue. Zuidland telt nu zeventig inwoners, volwassenen en kinderen samen. Zuidland is niet alleen voor witte Zuid-Afrikanen, onderstrepen ze. Khoi en San en kleurlingen zijn welkom. „Maar de Nguni-stam willen we hier niet hebben”, zegt Bartman. Daarmee bedoelt hij Zuid-Afrikanen met een donkerder huidskleur. „Als je een minderheid bent moet je je altijd aanpassen aan de meerderheid. Zo raak je je identiteit kwijt. Maar hier voel ik me thuis”, zegt Johan Ferreira, terwijl hij dikke worsten braadt boven de gezamenlijke barbecue.

Onafhankelijk Zuidland

Nergens in Zuid-Afrika is de drang tot afscheiding zo groot als hier in de Kaap, de witste van alle negen provincies, en de enige provincie die niet onder bestuur van regeringspartij ANC staat. De Kaapse Independence Party pleit voor een Cape-Exit, en won bij de afgelopen gemeenteraadsverkiezingen voor het eerst een zetel in de stadsraad. Voor de bewoners van Zuidland is die democratische weg te traag en moet de onafhankelijkheid nu maar eens komen. „We erkennen de wetten van Zuid-Afrika niet langer”, zegt Bartman. „Het land is verrot, de corruptie is niet meer te beteugelen. Dit is onze laatste kans om onszelf te redden.”

Terwijl hij me een biertje in de hand drukt, vraag ik waar de medeoprichter van Zuidland is gebleven, met wie ik anderhalf jaar eerder contact legde voor een reportage over hun afscheidingsplannen. „Met hem praat ik niet meer sinds hij me geen bonnen kon laten zien van zijn uitgaven. Hij probeerde me bij de vorige vergadering te onttronen, maar hij kreeg slechts 9 stemmen, en ik 31.” Na anderhalf jaar was ook deze nieuwe republiek al vergiftigd door verduistering en een mogelijke nieuwe afsplitsing binnen de afsplitsing van Zuid-Afrika. Absurdistan.

Ik dacht terug aan Cain Mudenga, de Zimbabwaanse barista die me aan het eind van ons gesprek op mijn knie had geslagen. Thuis is een besluit, vond hij. „Voor jou is het nu ook genoeg geweest. Het is tijd om naar huis te gaan.”