Necrologie

Bioloog Edward O. Wilson wilde mens en mier doorgronden

Edward O. Wilson (1929-2021) Een uitgesproken, optimistische bioloog die gek was op mieren. Wilson’s werk aan het sociaal gedrag van dieren inspireerde natuurbeschermers en biologen wereldwijd.

Edward O. Wilson met een model van een bladsnijdermier.
Edward O. Wilson met een model van een bladsnijdermier. Foto Rick Friedman / Getty Images

Waar komen we vandaan, wie zijn we, waar gaan we heen?

Wie geïnteresseerd is in de wetenschappelijk gefundeerde antwoorden op die vragen vindt briljante pogingen daartoe in het werk van Edward Osborne Wilson (1929-2021), emeritus hoogleraar entomologie en evolutiebiologie aan Harvard. Wilson was erin bedreven onverbonden fenomenen uit verschillende domeinen onder één noemer te brengen en daaraan een verhelderend inzicht te verbinden. Dit vermogen tot het bewerkstelligen van consilience was de grote kracht van Wilson – hij schreef ook een boek met die titel en wordt beschouwd als een van de meest vooraanstaande biologen van de afgelopen eeuw. Wilson overleed zondag 26 december op 92-jarige leeftijd.

In 1975 publiceerde Wilson het monumentale boek Sociobiology, een synthese van zo ongeveer alles wat er op evolutionair-ecologisch gebied bekend was over sociaal gedrag van dieren. Dat boek was baanbrekend en is nog altijd inspirerend voor biologen wereldwijd. Het kwam voort uit zijn werk aan mieren, maar in het boek behandelde Wilson het sociaal gedrag van talloze dieren, van mieren tot mensen.

Oog verloren

Wilson was als puber al hard op weg mierenexpert te worden, en werd uiteindelijk een van de belangrijkste ter wereld. Hij had een extreem goed linkeroog – het rechteroog had hij verloren bij een akelig visongeluk waarbij de vlijmscherpe stekel van een zeebrasem zich in zijn oog had geboord. Door deze beperking raakte hij aangewezen op het bestuderen van kleine dieren zoals insecten. Gelukkig hield hij van kruipen. Hij kende geen groter plezier dan kruipend op zijn knieën ruig terrein te doorkruisen, stenen omkerend, rotte boomstronken inspecterend, op zoek naar kolonies van diefmieren, knoopmieren, of nog liever onbeschreven soorten.

Toen de jonge Wilson eens meer dan één koningin in een mierenkolonie zette, staken de werksters ze op een na allemaal dood en beten ze in stukken. Hij merkte op dat ze nooit de fout maakten om de laatste potentiële koningin te doden, zodat de kolonie geen werksters meer zou kunnen voortbrengen. Dit experiment vormde de kiem van al zijn latere werk dat gericht was op het begrijpen van het sociale gedrag van mieren. Hoe is de kolonie georganiseerd, welke taakverdeling kent de soort (er zijn duizenden mierensoorten op aarde), welke factoren bepalen de uiteindelijke structuur van sociale organisatie? Dat bleek veel te maken te hebben met voedseltype en foerageertechnieken van de mieren, bijvoorbeeld bovengronds of ondergronds.

Lees ook: De vriendelijke mier, een interview met Edward O. Wilson over altruïsme

Wilson studeerde biologie aan de universiteit van Alabama, waarvan hij hoog opgaf, en zette zijn werk vanaf 1951 voort op het prestigieuze Harvard, de universiteit waaraan hij levenslang verbonden zou blijven. Daar bevond zich al de grootste mierencollectie ter wereld, die hij nog flink wist uit te breiden.

Bewondering voor militairen

Mieren zijn bereid zich op te offeren voor de gemeenschap en vertonen in dat opzicht overeenkomsten met de mensen die Wilson het meest bewonderde. Hij had als kind, nadat zijn ouders in 1937 waren gescheiden, een tijdje op een fantasieloze drilschool in het zuiden van de Verenigde Staten gezeten. Daar werden onhandelbare kinderen voorbereid op een militaire carrière. Wilson hield er, schreef hij in zijn openhartige autobiografie Naturalist (1994), een levenslange bewondering aan over voor militairen die bereid waren hun leven te offeren voor de gemeenschap. Zíj waren zijn helden, in plaats van musici, kunstenaars of filmregisseurs. Zelfs Nobelprijswaardige onderzoekers schatte hij minder hoog. Het innerlijk conflict waarmee elk mens in meerdere of mindere mate worstelt tussen het nastreven van eigen belang en altruïsme, het brengen van offers voor de gemeenschap, had steeds zijn belangstelling. In zijn wetenschappelijke werk kreeg de evolutie van altruïsme een belangrijke plek.

Edward O. Wilson betoogde dat de sociale wetenschappen zouden worden opgeslokt door natuurwetenschappen.

Foto Gretchen Ertl/Reuters

Wilson betoogde met verve maar niet steeds even diplomatiek dat de sociale wetenschappen gebaat zouden zijn bij een natuurwetenschappelijke aanpak. Anders zouden ze blijven steken in een onvolwassen wetenschappelijk stadium. Hij ging zelfs zo ver te beweren dat de natuurwetenschappen de sociale wetenschappen binnen afzienbare tijd zouden opslokken. Sociologie, antropologie, psychologie, het zouden onontkoombaar allemaal sociobiologie, neurologie en cognitieonderzoek worden. Nogal wat onderzoekers uit de sociale hoek en ook enkele collega’s op Harvard zoals de paleontoloog Stephen J. Gould en de geneticus Richard Lewontin reageerden verontrust of zelfs woedend. Wilson ontkende zeker niet dat de menselijke cultuur zich voor een belangrijk deel onttrekt aan genetische invloeden. Toch ging zijn bewering dat de menselijke speelruimte beperkt is en dat we ook in cultureel opzicht, zij het met een losse teugel, altijd verbonden zullen blijven met onze genetische programmatuur, deze critici al te ver.

IJsdouche

Vlak voordat hij een lezing over dit onderwerp zou beginnen, werd hij eens door marxistische studenten overgoten met een emmer ijskoud water. Kletsnat geworden begon de onverstoorbare Wilson, die van mieren had afgekeken dat je je door niets of niemand van je pad moest laten brengen, onder luid applaus aan zijn verhaal. Hij had overigens wel begrip voor de kritiek. Hij begreep de angst voor sociaal-darwinisme en wilde daartoe zeker niet aanzetten. Zijn sociobiologie had niets met fascisme te maken, zoals sommige critici vreesden.

Eerder had Wilson, samen met Robert MacArthur, een grensverleggende theorie gelanceerd die minder ophef veroorzaakte dan Sociobiology, maar niet minder belangrijk was: de publicatie van het boek The Theory of Island Biogeography uit 1967. Een wiskundig gefundeerde en originele benadering van ecologische problemen waardoor die tak van wetenschap in een klap werd uit getild boven het beschrijvende en impressionistische niveau. Wilson was een fantastische veldbioloog maar had, zoals zoveel biologen, beperkte aanleg voor wiskunde. Hij had hulp nodig en vond die ook in de wiskundige Robert MacArthur. Doorgaans is een wiskundige voor een veldbioloog wat een scootmobiel is voor een slechtlopende bejaarde. Die brengt je waar je op eigen kracht nooit zou zijn gekomen, opent nieuwe perspectieven en vergezichten waardoor je verder kunt, maar verwacht er geen biologisch inzicht van. Maar MacArthur was behalve wiskundige ook ornitholoog. Hij had wél feeling voor biologische problemen en vulde Wilson perfect aan. De twee vormden jarenlang een ideale tandem.

Eilanden leegvegen

Wilson en zijn student Daniel Simberloff volgden een experimentele aanpak op een aantal kleine eilanden in Zuid-Florida. Die waren rigoureus schoongemaakt, dat wil zeggen: ontdaan van álle planten, wormen, insecten, spinnen, slakken en hagedissen. Een reeks blanco mini-eilanden. Ze hielden vervolgens precies bij hoe die werden herbevolkt, welke insecten erheen vlogen, welke spinnen of hagedissen op wrakhout meeliftten naar zo’n eiland. Ze ontdekten dat het aantal nieuwe soorten dat op een eilandje arriveert op zeker moment in evenwicht komt met het aantal gevestigde soorten dat van het eiland was verdwenen. Het totaal aantal soorten op het eiland blijft dus gelijk, terwijl de melange van soorten verandert. Dit zogenaamde dynamisch evenwicht vormt een belangrijk ingrediënt van de inmiddels wereldberoemde theorie van de eilandbiogeografie.

Zoals te verwachten viel, werd het aantal soorten dat erin slaagde zich op een eiland te vestigen ook bepaald door factoren als de afstand tot het vasteland, de grootte van het eiland en het aantal beschikbare ecologische niches. De inzichten van Wilson en MacArthur worden inmiddels gebruikt door natuurbeschermers die de minimaal vereiste grootte van een natuurreservaat willen bepalen, maar ook door stadsplanners. Die laatsten willen stadsparken, tenslotte ook een soort groene eilanden in een woestenij van asfalt en steen, zo biologisch divers mogelijk maken en houden.

Pulitzerprijs

Wilson is buiten vakkringen bekend geworden door enkele tientallen boeken die hij voor een breed publiek schreef over sociaal gedrag van dieren, biodiversiteit en natuurbescherming. Hij vond het belangrijk om naast het doen van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek tijd te reserveren voor science writing. Tweemaal kreeg hij, naast talloze wetenschappelijke onderscheidingen, de prestigieuze Pulitzerprijs: voor zijn sociobiologische boek On Human Nature (1979) en voor The Ants (1990) met Bert Holldöbler, een indrukwekkend werk over de ecologie en het sociale gedrag van mierensoorten van over de hele wereld.

Wilson werd geboren in een eeuw waarin de laatste witte plekken op de wereldkaart verdwenen. Met de exploratie van de verste uithoeken van de aarde verdwenen er steeds meer biologische soorten. Wilson schreef over het ontstaan van biodiversiteit, de structuur en complexiteit van ecosystemen, maar ook over de verwoesting van leefgebieden, het kappen van regenwoud en de overbevissing van oceanen. Hij signaleerde al een halve eeuw geleden de snelle verarming van ecosystemen op plaatsen waar exotische plant- of diersoorten met hulp van mensen terecht kwamen, vooral op kwetsbare eilanden en in meren (eilanden van water). De belangrijkste oorzaak is, mede dankzij Wilson, inmiddels algemeen bekend: de exponentiële stijging van het aantal mensen in de afgelopen anderhalve eeuw.

Lees ook: Marx, mieren en mensen, een interview met Edward O. Wilson over het belang van biodiversiteit

Wilson memoreerde ook dat de meeste biologische soorten in stilte verdwijnen, zonder zelfs ooit te zijn ontdekt, laat staan wetenschappelijk beschreven. Toen in de jaren zeventig duidelijk werd hoe ongelooflijk rijk aan ongeziene soorten de bovenste regionen van het regenwoud waren, zette hij zich in voor het verwerven van onderzoeksgelden om die leefgebieden te onderzoeken voordat het te laat zou zijn.

Opmerkelijk is dat Wilson nooit doemdenker werd, maar een optimistisch rationalist bleef die zocht naar praktische oplossingen. Voor velen die zich murw gebeukt en machteloos voelen door de aanhoudende stroom van steeds alarmerender berichten, blijft een boek als The Future of Life uit 2002 stimulerend en hoopgevend. Daarin gaf Wilson aan hoe met relatief weinig inspanningen en middelen cruciale delen van de biodiversiteit voorlopig zouden kunnen worden veilig gesteld. In 2016 verscheen zijn boek Half-Earth, waarin hij oproept om de helft van de aarde in te richten als natuurreservaat, vrij van mensen. Inmiddels is dit idee een geliefd onderwerp van discussie onder biologen en natuurbeschermers.

Correctie 31-12: In een eerdere versie van dit artikel stond dat E.O. Wilson en Robert MacArthur experimenteel werk verrichten. Dat klopt niet. Wilson deed de experimenten samen met zijn student Daniel Simberloff.