Nu slaap je de hele nacht door, vroeger was dat heel anders

Pre-industrieel slapen De moderne mens sluit zich ’s nachts op in een comfortabele slaapkamer. Maar dat is niet altijd zo geweest.

Illustratie Jasmijn van der Weide

Negen jaar oud was Jane Rowth, in 1697, toen ze een verklaring aflegde voor een Schotse onderzoeksrechter. Over de dood van haar moeder. Jane vertelde dat haar moeder „na haar eerste slaap” een pijp was gaan roken bij de haard. Daarna waren twee bevriende mannen gekomen, die zeiden: „Laten we doen wat we hebben afgesproken.” Tegen Jane zei de moeder: „Ik ben er morgenochtend weer, ga maar stil liggen.” Pas een paar dagen later werd het lijk van de moeder gevonden.

Een menselijk drama, meer dan driehonderd jaar geleden. Maar Jane’s terloopse opmerking over die ‘first sleep’ van haar moeder zette de Amerikaanse historicus Roger Ekirch (1950) op een spoor dat zijn carrière zou bepalen. Hij kwam Jane’s getuigenis tegen toen hij in de jaren tachtig zat te bladeren in ‘the Northern Assize records of England’. First sleep! Eindelijk had Ekirch énig idee over hoe mensen sliepen in vroeger tijden. „Ik werkte aan een boek over het nachtleven in de vroeg-moderne tijd. En ik was panisch dat ik dan ook over slaap moest schrijven”, zegt Ekrich nu, via een zoomverbinding vanuit Virginia. Hij is er hoogleraar geschiedenis aan Virginia Tech. „Ik wist niets van biologie en waar vind je ooit historische bronnen over slááp?”

In de jaren daarna vond Ekrich in juridische en andere bronnen nog veel meer aanwijzingen voor die eerste en tweede slaap: kénnelijk sliepen Europeanen voor het industriële tijdperk anders dan nu. De huidige gewoonte – en algemeen geaccepteerde norm – om een uur of acht aan één stuk te slapen, bestond toen nog helemaal niet.

Voor de komst van schelle gaslampen en elektrisch licht, toen ook de klok nog niet het leven strak regeerde, ruwweg dus voor halverwege de negentiende eeuw, heerste eeuwenlang de ‘onderverdeelde slaap’ (segmented sleep), zo ontdekte Ekrich in zijn bronnenmateriaal. In zijn succesvolle boek At Days Close. Night in Times Past (2006) en in vele artikelen, vat Ekirch het aldus samen. Een familie ging zo tussen negen en tien uur ’s avonds naar bed, meestal met meerdere slapers in één ruimte, om vervolgens twéé keer in te slapen. Want na een drie of vier uur slaap waren de meesten al weer een uurtje of langer wakker, om over hun dromen na te denken, te bidden, een praatje te maken, huishoudelijke klusjes te doen, zelfs bier te brouwen of simpelweg om – zoals Jane’s moeder – even te roken. Daarna was het weer tijd om te slapen, opnieuw een uur of drie, vier.

Veel meer plezier

Die tussenwake was niet alleen een sociaal moment, maar werd ook als ideaal gezien om medicijnen in te nemen. En, zoals Ekrich met plezier opmerkt, in veel medische handboeken werd die tussenwake ook specifiek aanbevolen voor seks. Want dan is de vruchtbaarheid het hoogst, citeert Ekrich de zestiende-eeuwse arts Lauren Joubert, „en is er ook veel meer plezier”. En heel opvallend, zegt Ekirch vanuit Virginia: „In de medische handboeken uit de Middeleeuwen en de vroeg-moderne tijd vind je opmerkingen over slapeloosheid: als mensen die niet kunnen inslapen. Nooit wordt als probleem gezien om ’s nachts een tijdje wakker te zijn. Dat was normaal. Dat probleem verschijnt pas eind negentiende eeuw als er een nieuw slaappatroon is ontstaan, het onze.”

Volgens Ekirch zijn er ook nu wel resten van de oude gewoontes terug te vinden. Begin jaren 90 was er zelfs een onderzoek naar bioritme waarin proefpersonen langdurig zonder kunstlicht leefden, met dagelijks veertien uur duisternis. Na een paar weken ontstond een ritme waarin ze ’s nachts vier uur sliepen, een paar uur wakker werden, en vervolgens weer een uur of vier sliepen. Ekirch: „Zelfs nu we zo’n heel ander slaappatroon hebben, is het kennelijk niet moeilijk om onder de juiste omstandigheden terug te vallen op dat oudere patroon.”

Persoonlijk bevalt het moderne slaappatroon mij prima

Roger Ekirch historicus

En let op, voegt Ekirch er aan toe: „Ik vind dus niet dat die segmented sleep het normále, universele slaappatroon van de mens zou zijn. Maar ik denk wel dat het het dominante patroon in de westerse wereld was. Ik zie al verwijzingen bij Homerus, maar ook in brieven van Erasmus. Tweehonderd jaar geleden begon dat te veranderen, door een ander tijdsregime en het elektrisch licht. Het huidige slaappatroon is ook niet beter of slechter dan het vorige, denk ik. We kunnen ook niet terug. Persoonlijk bevalt het moderne slaappatroon mij prima.”

Het onderzoek van Ekirch bevat een vrij overtuigende overvloed aan historische verwijzingen naar de eerste en tweede slaap, vanaf de Oudheid tot in de negentiende eeuw. Zijn werk wordt ook vaak geciteerd en overgenomen in andere studies. Maar veel ander onderzoek naar historische slaappatronen is er niet.

De Engelse edelen

In haar boek Sleep in Early Modern England (2016) schrijft historica Sasha Handly (University of Manchester) dat zij Ekirch’s dubbeleslaappatroon niet heeft gevonden in haar onderzoek onder de Engelse elite van driehonderd jaar geleden. „De rommelige overleving en de onsamenhangendheid van het bronnenmateriaal maakt het ook moeilijk om een universeel model voor de slaappraktijk op te stellen, dat voor zoveel verschillende gemeenschappen hetzelfde zou zijn”, schrijft Handly sceptisch. Haar edelen gaan laat naar bed, en slapen dan door tot ver in de ochtend. Van enig sociaal leven tijdens nachtelijk ontwaken is geen spoor.

Van die kritiek ligt Ekirch niet wakker: „Ik heb nooit beweerd dat dat segmented sleep universéél zou zijn. En ik sluit ook niet uit dat de Engelse edelen wel degelijk een breekpunt in hun slaap hadden, waarin ze wakker waren. Omdat ze zo laat gaan slapen, begint hun tweede slaap dan pas in de ochtend. Dit uitslaappatroon is ook een statussymbool: deze mensen konden het zich veroorloven om laat naar bed te gaan en lang in bed te blijven liggen.”

Een groter probleem voor de these van de gesegmenteerde slaap is een onderzoek door de Belgische historicus Gerrit Verhoeven (Universiteit van Antwerpen) die vorig jaar een analyse publiceerde van slaapverwijzingen in achttiende-eeuwse verslagen van de Antwerpse criminele rechtbank: de ‘examinatieën en informatieën’ van ‘de Hoge Vierschaer’. Zoals in 1788 Johannes Gerollus, getuige van een mishandeling, die verklaarde dat hij om kwart voor zeven was opgestaan. Of zoals Anna Pool, die in 1775 getuigde dat zij rond een uur of twee ’s nachts met een schok wakker werd omdat een vriend op de deur stond te bonzen.

Mensen werden wel regelmatig ’s nachts wakker, door lawaai. Maar dan wilden ze graag terug naar bed

Gerrit Verhoeven historicus

Met handige statistiek wist Verhoeven uit 271 van zulke ‘slaaptijdmeldingen’ een patroon destilleren. Gemiddelde Antwerpenaren in de achttiende eeuw lagen amper zeven uur in bed. Rond een uur of tien ’s avonds gingen ze slapen en ze stonden rond half zes alweer op, in de zomer eerder dan in de winter. Op zondag en ook maandag (die toen als een soort weekenddag gold) stonden ze ook wat later op – dan was werk minder belangrijk.

En het opvallendst is: Verhoeven vond geen enkel vermelding van gesegmenteerde slaap. „Mensen werden wel regelmatig ’s nachts wakker, door lawaai. Maar dan wilden ze vooral weer graag terug naar bed”, zegt Verhoeven via Zoom. „Ik had eigenlijk liever wel wat aanwijzingen voor die segmented sleep gevonden, want dat is natuurlijk veel interessanter. Maar niks. Als die gewoonte ingeburgerd zou zijn, zou je toch wel iets verwachten.” Op grond van de tijd die de Antwerpenaren volgens Verhoevens berekening in bed doorbrachten, zou het niet eens kunnen: die zeven uur lang in bed is echt veel te kort om ook nog eens uitgebreid op te staan in de nacht. „Antwerpen was al best een moderne stad in die tijd. Als Ekirch gelijk heeft, was het in Antwerpen zeker al eerder verdwenen”, zegt Verhoeven behoedzaam. „Ik zie het gewoon niet.”

Ekirch stuurde als antwoord maar liefst tweeletters to the editor’ naar het Journal of Sleep Research dat ook Verhoevens studie publiceerde. Hij hamert daarin vooral op statistische punten, zoals dat Verhoeven maar 87 vermeldingen van nachtelijk ontwaken vond, die ook nog eens allemaal uit de tweede helft van de 18de eeuw kwamen. En zelfs ook al werden die ontwakingen altijd toegewezen aan lawaai van buiten en dergelijke, dan nog kan het in de praktijk nog wel gesegmenteerde slaap zijn? „En als je die segmented sleep nog bij negentiende schrijvers als Hawthorne, Balzac en Tolstoj beschreven vindt, dan zal het toch wel wijd verspreid zijn geweest?”

De herhaalde reposte van Ekirch overtuigt Verhoeven niet: „Ik had in mijn Antwerpse bronnen dan toch wel verwijzing naar eerste of tweede slaap mogen verwachten? Maar ik vind het nu ook niet in de dagboeken en dergelijke uit dezelfde tijd die ik op slaapverwijzing aan het onderzoeken ben.”

Zonder dutjes overdag

Natuurlijk is het behoorlijk ontwikkelde Antwerpen van de achttiende eeuw niet te vergelijken met samenlevingen van jagers-verzamelaars, maar zélfs daar is die segmented sleep niet te vinden, schrijft Verhoeven, onder verwijzing naar een recent antropologisch onderzoek naar slaap bij dergelijke groepen in Afrika en Zuid-Amerika uit 2015. En sterker nog: ook die sliepen verrassend kort, van gemiddeld minder dan zes uur per nacht tot hooguit zeven uur. En zonder veel dutjes overdag. Net als in Antwerpen dus! Maar zoals Ekirch in zijn riposte benadrukt: óók op dat baanbrekende onderzoek, waarbij bijna honderd jagers-verzamelaars gemiddeld twaalf dagen lang een activiteitenmeter om de pols droegen, is kritiek gekomen: die uitkomsten kunnen niet gelden voor álle pre-industriële samenlevingen.

Het onderzoek van niet-moderne slaap staat nog in de kinderschoenen, zoveel is wel duidelijk. Helder is wél dat in de antropologie – net als door Ekirch – het sociale karakter van de nacht wordt benadrukt, niet alleen omdat mensen vrijwel nooit alleen sliepen en slapen, maar ook omdat gesprekken en andere interacties schering en inslag zijn tijdens nachtelijk ontwaken.

Mensen blijven wakker zolang er iets interessants gebeurt waaraan ze willen deelnemen: een gesprek, muziek, dans

In een eerste antropologische inventarisatie van slaap in pre-industriële samenlevingen uit 2002 constateerden Carol Worthman en Melissa Melby al dat bij jagers-verzamelaars en eenvoudige landbouwers de tegenwoordig zo strakke grens tussen slaap en waken helemáál niet zo scherp is – onder andere door het gebrek aan vaste bedtijden. In de nacht kan ook iemand wiens mening ineens van belang werd geacht, best even wakker worden gemaakt. En andersom kan bij sommige groepen iemand die overdag een conversatie zat is, eenvoudig in slaap vallen zonder dat iemand ervan opkijkt.

Fluisteren omdat iemand slaapt is er sowieso niet bij. „Mensen blijven wakker zolang er iets interessants gebeurt waaraan ze willen deelnemen: een gesprek, muziek, dans. Daarna vallen ze in slaap. En soms komen ze dan toch weer overeind omdat ze weer iets belangwekkends horen.” Kinderen leren van jongs af om onder vrijwel alle omstandigheden te slapen, zonder stilte.

Langer, beter en dieper

En in 2014 publiceerde de antropoloog Polly Wiessner haar ontdekking dat in de nacht over heel andere zaken gepraat wordt dan overdag, in ieder geval bij de door haar bestudeerde Ju/’hoan !Kung Bosjesmannen in de Kalahari-woestijn in Zuidelijk Afrika. Overdag gaat het over roddels en economische beslissingen, maar in de nacht bij de vuren, als er altijd wel een paar mensen wakker zijn, wordt er gezongen, mythes doorverteld en zelfs ceremonies uitgevoerd. In de nacht wordt de saamhorigheid versterkt, aldus Wiesner, ruzies zijn voor overdag.

Er zijn trouwens ook slaappatronen gevonden die wél mooi in Ekirch’ schema vallen. Zo publiceerde in 2017 de antropoloog David Samson met anderen een onderzoek naar slaap in een kleinschalige landbouwgemeenschap op Madagaskar – waar 21 mensen gemiddeld twee weken met een activiteitenmeter rondliepen. De bevolking bleek maar gemiddeld 6,5 uur per nacht te slapen maar dutte overdag wel veel. En na middernacht, na de eerste slaap, was er in de helft van de nachten veel gemeenschappelijke activiteit.

Al met al lijkt het er dus op dat de moderne slaper langer, beter en dieper slaapt, in zijn stille, afgesloten slaapkamer. Toch klagen tegenwoordig veel mensen over slecht slapen. Hoe kan dat? Over die nadelen van de moderne slaap publiceerde dezelfde David Samson vorig jaar een opvallende analyse op Biorxiv. De niet-moderne slaap mag rommelig, lawaaiig en fluïde zijn, ze is wel heel flexibel: wie te weinig slaapt heeft veel mogelijkheden om later nog wat bij te slapen, desnoods overdag. Terwijl juist de moderne slaap nauw bepaalde grenzen heeft, meestal bepaald door de wekker. Wie slecht slaapt moet de volgende dag tóch op tijd naar zijn werk. En ook de lichamelijke bioritmes moeten zich voortdurend aanpassen aan de strakke bedtijden. ‘Samson noemt dat de slaapritme-uitruil’: „Dat vergeleken met de natuurlijke slaap in kleinschalige samenlevingen, individuen in ontwikkelde economieën langer en beter slapen op veel comfortabeler slaapplekken, maar ten koste van verstoring van de complexe dagelijkse lichamelijke ritmes die tot slaap aanzetten.” Volgens Samson heerst in de moderne samenleving dus geen epidemie van slapeloosheid, maar is er wel een prijs die moet worden betaald voor het doorgaans juist veel béter slapen dan vroeger.