Foto Daniel Niessen

Interview

Een jaar in het leven van een zomereik

Zomereik Wetenschapsredacteur Marcel aan de Brugh onderzocht dit jaar wat er gebeurt wanneer je je serieus verdiept in een boom. Hij koos de oude zomereik vlak voor zijn huis. „Ja, ik voel duidelijk wat voor ’m.”

Ik sta bij onze groene brievenbus aan de straat en kijk naar de grote, oude zomereik pal voor onze voortuin. Ik aarzel. Zal ik het doen? Het voelt onwennig. Maar dan zeg ik het toch. „Goeiemorgen maar weer.” Ik wacht. Er komt geen antwoord. Als afleiding haal ik vast de krant uit de bus. Het blijft stil. Wat had je dan verwacht, zeg ik tegen mezelf. Je praat tegen een eik!

Hoe ben ik tot hier gekomen, dat ik dit doe? Je bent bioloog, hou ik mezelf voor. Praten tegen een eik. Ben je wel goed bij je hoofd?

Het begon als een natuurwetenschappelijk project, afgelopen maart. Ik had besloten een jaar lang een eik te volgen. Om te zien welke fasen hij doormaakt. En wat het samenspel is met de eikenprocessierups en de koolmees. Maar de laatste maanden is de biologie vermengd geraakt met wereldomspannende gedachtes over de verstoorde relatie tussen mens en natuur. Over ontbossing, vervuiling, overbevissing, snelle afname van de biodiversiteit, opwarming van de aarde. Moeten wij mensen zo doorgaan met z’n bijna acht miljard, en straks negen of tien miljard? Of moet het anders? Moeten we naar een ander economisch systeem, een herziening van het kapitalisme? Of moeten wij zelf veranderen? Moeten we onze relatie met de natuur herzien? Zoals de Franse socioloog en filosoof Bruno Latour het heeft verwoord: als we ons proberen te vereenzelvigen met dieren, planten, objecten, gaan we er beter voor zorgen en ontstaat er een nieuwe solidariteit. Is dat het? Redding door inleving?

Juist met die gedachten zit ik de laatste maanden vaker bij de zomereik. Gaandeweg is er iets opmerkelijks gebeurd. Al kijkend, mijmerend en lezend is er een onwennige connectie gegroeid.

Ik loop naar de eik. Twee koolmeesjes vliegen op uit een struik vlakbij. Ik bewonder zijn ruwe stam. Het lijkt een landschap van bergen en dalen. Pas van dichtbij zie je in de dalen een groene zweem van korstmossen. Een wereld op zich. De achteloze voorbijganger heeft er geen weet van.

Ik noem de eik trouwens een ‘hem’, maar dat klopt eigenlijk niet. De eik is eenhuizig, hij heeft zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen. Ik zou dus zoiets als hijzij moeten schrijven, of haarhem. Maar dat leidt te veel af, vind ik. Gemakshalve kies ik voor hem.

Na de eerste kennismaking met de eik ga ik in de leer bij ecoloog Arnold van Vliet van de Wageningen Universiteit. Hij verzamelt informatie over jaarlijks terugkerende processen in de natuur, een tak van wetenschap die fenologie heet. Hij ziet dat processen aan het schuiven zijn, mede door klimaatverandering. De eik komt nu begin-half april uit het blad; in de jaren 50, 60 was dat bijna drie weken later. En in de herfst werpt hij zijn bladeren nu later af. Ecologen vragen zich af in hoeverre op elkaar afgestemde processen verstoord raken. Want als de eiken eerder uit het blad komen, moeten de rupsen eerder uit hun ei komen om het verse jonge blad te kunnen eten. En de koolmezen op hun beurt moeten dan eerder hun eieren leggen, om hun jongen met voldoende rupsen te kunnen voeden. Maar dit loopt niet langer synchroon. De koolmezen raken achterop.

Als leerling-fenoloog zie ik de bladeren aan onze zomereik opmerkelijk laat uitkomen. Pas begin mei. Het komt door de maand april, legt Van Vliet uit. Die was relatief zeer koud. „Het is alsof we vijftig jaar terug in de tijd zijn.” Aan de rand van Ede, de woonplaats van Van Vliet, zien we rupsen die al uit het ei zijn gekropen. Hongerig zitten ze te wachten.

Onze zomereik geeft dit jaar ook opvallend weinig eikels. Acht jaar op rij regende hij grote aantallen vruchten in onze tuin en op ons platte dak. Je schrok er ’s nachts wakker van. Ook die aanhoudende overvloed aan eikels is een signaal van het opwarmende klimaat, zegt Van Vliet. Maar dit jaar is het heel anders. Niet alleen bij de eik. Ook de beuk geeft maar weinig nootjes. Op de Veluwe wordt begin oktober een hongerwinter aangekondigd voor alle liefhebbers van beukennootjes en eikels: wilde zwijnen, gaaien, eekhoorns, muizen, duiven.

Ik sta in onze voortuin. Die is bezaaid met jonge, dunne eikenscheuten. Ik zak door de knieën. Van dichtbij kijk ik tegen een groep scheuten aan. Het lijkt wel een bos. Het is maar net hoe je kijkt.

Foto Daniel Niessen

Een interview met een eik?

De maanden gaan voorbij. Elke week zet ik de eik op de foto, met een speciale app waar Van Vliet me op heeft geattendeerd. Dan wordt de wetenschapsredactie gevraagd om een bijdrage voor de interviewbijlage aan het eind van het jaar. Jij volgt die eik toch al het hele jaar, zeggen twee collega’s prompt – kun je daar niet iets mee?

Een interview met een eik?

Een fenologisch verslag volstaat in ieder geval niet meer. Hoe verhoud ik mij tot de eik, en de eik zich tot mij? M’n lief Monique tipt het boek Beyond nature and culture (2013) van de Franse antropoloog Philippe Descola. De titel kwam voorbij tijdens haar studie culturele antropologie, ze is na ruim twintig jaar ondernemerschap weer gaan studeren. Descola noemt de scheiding tussen mens en natuur the great divide. Hij ontwikkelde er als een van de eersten een theorie over, waarin de opkomst van het christendom een belangrijke rol speelt. Deze religie plaatst de mens buiten en boven de natuur. Hij is heerser op aarde, als verlengstuk van God, en mag de andere – inferieure – wezens aan zich onderwerpen. Daarna komt, in de zestiende eeuw, de wetenschappelijke revolutie. Filosoof en wiskundige René Descartes beschrijft de natuur als een extern element dat via experimenten en analyse gecontroleerd en geanalyseerd kan worden. Vanuit het Westen verspreidt dit wereldbeeld zich via handel en kolonialisme. Dan is er nog de Verlichting, met haar nadruk op de ratio en de autonomie van de mens. Het sluitstuk, schrijft Descola, komt begin twintigste eeuw. De filosofie, de sociologie en de antropologie willen als wetenschap serieus genomen worden, net als de natuurkunde, de scheikunde en de fysiologie. Ze plaatsen de mens in isolatie van andere niet-menselijke wezens. De term ‘cultuur’ wordt gekaapt en vertaald als de onderscheidende karaktertrek van de menselijke conditie. De scheiding tussen mens en natuur is groter dan ooit.

Opeens wisselt het perspectief. Ik zie een bos met hier en daar een huis

Matthijs Schouten, hoogleraar natuur- en landschapsbescherming aan de Universiteit van Cork, laat al z’n studenten een oefening doen. Ga bij een boom (in een bos, in je tuin) zitten en observeer een tijdje. Zonder oordeel, zonder concept. Doe dat vijf minuten, tien minuten, een half uur. En kijk wat er gebeurt. Ook Monique moest voor haar studie deze oefening doen. Ze had gekozen voor ons tuinhuisje, dat ernstig in verval was geraakt. „Ik zag het schuurtje eerst alleen als dood hout”, zegt ze. Maar op een gegeven moment zag ze een slak door een gat in de schuur kruipen. Vogels haalden riet van het aangetaste dak. Waterdruppels sijpelden naar beneden. Een klimop had zich door de schuur gewerkt. Er was een duizendpoot, een vlinder, een schimmel. „Door erbij stil te staan, zag ik opeens de beweging”, zegt ze. „Ik besefte: er gebeurt zoveel. Ik ben er wel, maar er zijn ook nog zoveel andere wezens, met hun eigen waarnemingen en hun eigen gedragingen.” Er is voor haar sindsdien iets fundamenteels veranderd, zegt ze. „Ik kijk anders tegen dieren aan.” Ze bedoelt niet alleen onze twee katten, maar ook de wespen, spinnen, muizen.

De verschuiving speelt zich ook in mij af. Het verrast me. Het ontroert me. Ik fiets op een gegeven moment terug naar huis, onze straat in. Het is een vrij groene straat. Ik zag het altijd als een serie huizen met bomen ertussen. Maar opeens wisselt het perspectief. Ik zie een bos met hier en daar een huis. Het niet-menselijke is het kader geworden.

Word ik straks nog serieus genomen?

Maar moet ik dit pad wel op? Ik ben bioloog, en wetenschapsredacteur. Word ik straks nog wel serieus genomen? Antropoloog Anke Tonnaer lacht als ze over mijn zorg hoort. Ze is universitair hoofddocent aan de Radboud Universiteit. „Alleen al dénken over bezielde natuur is in onze cultuur getaboeïseerd.” Je mag het er niet over hebben, het wordt belachelijk gemaakt. Ik knik. Ik herinner me een van de artikelen die ik heb gelezen. Daarin wordt het the demon of ridicule genoemd.

Ze vertelt dat de filosofie, de sociologie en de antropologie vijftien jaar geleden meer aandacht begonnen te krijgen voor de relatie tussen de mens en niet-menselijke wezens. Binnen de antropologie is er inmiddels een nieuwe, brede tak gegroeid, multispecies ethnography. Natuur wordt nog steeds hoofdzakelijk in economische termen bezien. Maar de wal is het schip aan het keren, zegt Tonnaer. „De realiteit is ons aan het inhalen, met al die milieuproblemen.” Steeds meer mensen hebben het gevoel, hier moet iets veranderen.

Die veranderende houding blijkt ook uit onderzoek van bioloog Riyan van den Born, ook van de Radboud Universiteit. De meeste mensen wijzen de houding van de mens als heerser over de natuur inmiddels af. Ze betitelen die als arrogantie, hoogmoed. Wat wel aanspreekt is de houding van rentmeester, die verantwoordelijk is en goed zorgt. Of de houding van een partner, die de natuur ziet als iets waarmee je moet samenwerken en zichzelf als een klein onderdeel van die natuur. Van den Born promoveerde in 2007 op dit onderzoek. Ze beperkte zich tot Nederland. Maar daarna is het voor allerlei landen bevestigd, onlangs nog voor de Verenigde Staten.

Openstaan voor andere beelden, daarmee begint het volgens Tonnaer. Ze doet een prikkelend voorstel. „Als niet-westerse mensen, Aboriginals bijvoorbeeld, denken dat bomen en rotsen kunnen luisteren, waarom nemen we dat niet serieus? Wat als we dat nou eens als realiteit nemen?” Ik moet denken aan het boek How forests think van de antropoloog Eduardo Kohn. Hij schrijft dat we gekoloniseerd zijn door bepaalde gedachten over relationaliteit. We moeten ons ontworstelen aan die gedachten. Dekoloniseren!

Ik ben nog niet overtuigd. Ik wil terug naar de biologie. Weer terug in mijn werkkamer pak ik het mooi geïllustreerde Eik en beuk erbij. Jac. P. Thijsse schreef het begin vorige eeuw, maar het is pas in 1995, in beperkte oplage, uitgegeven. Hij bezingt het eikenbos. „In tegenstelling tot het donkere beukenbos is het eikenbos licht en vrolijk”, schrijft hij. Omdat het afgevallen „eikelover” veel sneller vergaat dan „het beukeblad” is de grond losser en opener. De ondergroei is daardoor rijker aan soorten paddestoelen en planten. En dus is er ook veel meer dierenleven. Kevers, vlinders, vogels, vleermuizen, egels, mollen, reeën. Het eikenbos, schrijft Thijsse, geeft ons en onze nakomelingen de gelegenheid „om schone en indrukwekkende gebeurtenissen te beleven en een heerlijk blij, eerbiedig besef te gevoelen van de onbegrijpelijke grootsheid van het natuurleven”.

Zucht. Ik kijk door het werkkamerraam op de eerste verdieping naar de eik. Hij heeft een tak die is afgezaagd. Het ronde vlak is grijsgroen van buiten en donker van binnen. Het lijkt een oog. Een stuk naar beneden zit een horizontale streep, een inkeping. Ik beeld me een mond in. En samen vormen oog en mond in m’n hoofd al snel iets wat op een vrolijk gezicht lijkt. Ik herinner me wat Tonnaer ook zei op haar kamer aan de universiteit: „Het is niet eenvoudig om contact te maken met een boom of een ander niet-menselijk wezen. Dat kost werk.” Daarom hebben mensen rituelen bedacht die het proces steunen. „Bomen krijgen ogen. Of men hangt er slingers omheen.” Ze zei ook nog dat juist bomen veel worden vereerd. „Ik denk omdat ze zo hoog zijn, en zo diep de grond in gaan. Ze zijn een verbinding tussen hemel en aarde.”

Lees ook: ‘Bomen hebben geen hersenen, maar wel hoogontwikkelde ondergrondse communicatienetwerken’

Wat zullen de buren denken?

Hoog tijd dat ik ook de oefening doe. Dat ik bij de eik ga zitten en alles op me laat inwerken. Maar iets in mij blijft tegenstribbelen. In het boek Het verborgen leven van bomen beschrijft Peter Wohlleben hoe bomen communiceren en voelen. Via hun wortels, en een uitgebreid netwerk aan schimmels, wisselen ze voedingsstoffen uit met soortgenoten. Zelfs met oude stronken. Ze alarmeren elkaar bij gevaar. Ze kunnen onderscheid maken tussen verschillende soorten speeksel van knagende insecten, en stemmen hun afweer daarop af. Ze nemen knaaggeluiden waar. Kortom: bomen werken samen en communiceren. Wohlleben gebruikt woorden als „smaakzin” en „gehoor”. Is dat raar? Mogen we die woorden alleen voor de mens gebruiken? Voor ‘cultuur’ gold dat ook lange tijd. Totdat in 1999 bleek dat er ook chimpanseeculturen zijn. Verschillende groepen combineerden allerlei gedragingen – elkaar vlooien, zichzelf kietelen met een voorwerp, termieten-vissen, voedsel verpletteren – op een eigen typische manier. Ook empathie werd waargenomen bij dieren, en zelfbewustzijn. Eksters herkennen zichzelf in de spiegel, net als mensapen, olifanten en dolfijnen.

Wohlleben haalt in zijn boek een Italiaans onderzoek aan en ik mail één van de auteurs, plantenfysioloog Laura Arru. Ze heeft eerder dit jaar met twee collega’s een overzichtsartikel geschreven over het waarnemen van geluiden door planten. Het jonge vakgebied dat communicatie van en tussen planten bestudeert „krijgt met de dag meer aandacht”, schrijft ze. Dus niet alleen de antropologie, maar ook de biologie doet meer onderzoek naar relaties.

Oké, nu moet het er maar van komen. Ik pak een stoel, loop naar de voortuin en zet hem neer. Ziet dat er niet raar uit? Wat zullen de buren denken? De lucht is blauw. Er loopt een wit spoor van een vliegtuig door. Een brommer passeert. Een boomklever hupst over de stam van de eik. Zijn dikke takken zijn aan de bovenkant bemost. Waarom voel ik nog niks? Ik bekijk de bladeren op de grond en zie verschillende tinten bruin. Twee koolmeesjes fladderen voorbij. Een moeder met kind op de fiets komt voorbij. In de verte hoor ik een bladblazer. Ik probeer me voor te stellen hoe het is om hier als eik dag in dag uit te staan. Luizen knagen aan je bladeren. Een specht hakt in je stam. En dan, na ongeveer een half uur, gebeurt er iets. Ik besef dat ik veel te ongeduldig ben. De eik heeft een heel ander tempo dan ik. Er daalt een heerlijke rust over me neer. Ik blijf er nog even van genieten.

Op mijn computer zie ik in de mailbox een bericht van de gemeente, in antwoord op vragen over de eik. „De boom voor uw woning is van rond 1900”, schrijft de wijkregisseur. De eik bij de buren is zo’n twintig jaar later aangeplant. Ik denk weer aan het verschil in tijdsbeleving. Eiken kunnen vierhonderd, vijfhonderd jaar worden. Er zijn zelfs exemplaren bekend van duizend jaar en ouder. Dat is twaalf keer zo oud als de gemiddelde Nederlander wordt. Op die schaal betekent een jaar iets heel anders.

Foto Daniel Niessen

In hoeverre lijk ik op de eik?

Het maakt dat ik me afvraag in hoeverre ik eigenlijk op de eik lijk. Volgens Descola is dit een cruciale vraag om de aard van een relatie duidelijker te krijgen. Hij noemt het identification, het vaststellen van verschillen en overeenkomsten met andere entiteiten, op basis van verschijningsvorm, gedrag, eigenschappen. De eik heeft dus smaakzin, gehoor. In haar mail schrijft de Italiaanse plantenfysioloog Arru dat Darwin al dacht dat planten „een soort hersencapaciteit in hun wortelsysteem” hebben. Eiken communiceren ook met soortgenoten via hun uitgebreide wortelsysteem en daarmee samenhangende schimmels. Ik kijk naar buiten en beeld het me in. Ondergronds liggen allerlei verbanden naar de andere eiken in de straat. Wat zeggen ze tegen elkaar?

Maar er zijn ook verschillen. De eik staat zijn hele leven op dezelfde plek. Ik beweeg. De eik verandert zijn gedaante door het jaar heen. Ik niet. Hij ademt kooldioxide in en zuurstof uit. Bij mij is het andersom. Hij is man én vrouw tegelijk.

Toch is er een verandering in mij gaande. Ik zie de eik inmiddels met andere ogen. Hij ligt me nader aan het hart. In mijn eerdere gesprek met Matthijs Schouten haalde hij woorden van filosoof Martin Buber aan: de boom is niet langer een ‘het’, hij is een ‘gij’ geworden.

Niet alleen de eik roept meer medeleven op. In een van de keukenlades treffen we een moedermuis aan. Ze heeft net vier jongen gebaard. Kaal en blind liggen ze tussen plastic zakjes, die moeder aan stukken heeft gescheurd. We kunnen het niet over ons hart verkrijgen ze te doden en besluiten tot een soort compromis. De muizen mogen drie weken blijven. Dan zijn de jongen zelfstandig, maar nog niet geslachtsrijp. We voeren ze zelfs. Vooral de stukjes kaaszadencrackers vallen in de smaak. Na drie weken vangen we ze en zetten we ze uit, in een bosje, bij een stapeltje dood hout. Op hoop van zegen.

Hoe ver gaat dit proces van vereenzelviging? Ik denk aan een twee jaar geleden gepubliceerd rapport over de wereldwijd alarmerende afname van soorten. Het rapport benadrukt dat we onze objectiverende, op nut gerichte blik op de natuur moeten veranderen. Het besteedt veel aandacht aan inheemse volken, en hun „conceptualisaties” van de relatie tussen de mens en het niet-menselijke, vaak met spirituele aspecten. Bomen, rotsen, de grond: ze zijn vaak bezield. Descola beschrijft het ook in zijn boek. Sommige samenlevingen zien bepaalde planten en dieren om hen heen als familieleden. Ik lees een publicatie van de Canadese wetenschapper Sarah Abbott, waarin ze mensen interviewt over hun relatie met bomen. Ze schrijft dat ze zelf offers brengt aan bomen. Ze vraagt ook toestemming aan bomen om bij hen in de buurt te komen. Soms voelt ze dat ze niet welkom is. Ze praat over telepathische interactie.

Offers brengen, toestemming vragen? Dat gaat me te ver. Ik voel de demon of ridicule opspelen. Maar goed, het was juist de bedoeling om dominante gedachten ter discussie te stellen. Open te staan. Alleen: hoe te communiceren met de eik, ik ken zijn taal niet. Pfff. Ik besluit een coronablokje om te gaan. Buiten valt me iets op. Onze eik heeft zijn bruin verkleurde bladeren al lang afgeworpen, maar bij de drie eiken die het dichtst bij hem staan zitten ze nog volop aan de takken. Een opmerkelijk verschil. Boven in de eik is het een drukte van jewelste. Het zit vol met kekkende kauwtjes. Ze verzamelen hier vaker voor een soort van namiddagbijeenkomst. Als ik langs hem loop, zeg ik „tot zo”. Ik voel duidelijk wat voor ’m. Ik geloof niet dat ik het al vriendschap kan noemen. Maar wie weet.