Michael Ignatieff

Foto Frank Ruiter

Interview

Wat doe je als het leven triest lijkt? Deze filosoof laat zien hoe grote kunstenaars hun helse periodes overwonnen

Michael Ignatieff In zijn essaybundel Troost laat hij zien hoe grote schrijvers, denkers en kunstenaars helse perioden in hun leven wisten te overwinnen. „Filosofie heeft maar een beperkte rol in het bieden van troost.”

‘Ik heb lang gedacht dat ik speciaal was. Ik had twee ouders die van mij hielden en ik voelde me continu geliefd en bevestigd.” De Canadese schrijver en historicus Michael Ignatieff (Toronto, 1947) zit in de kleine bibliotheek van een Amsterdams hotel. Bedachtzaam, alsof hij gevangen zit in zijn eigen herinneringen, vertelt hij over zijn laatste boek Troost. Het is een bundel essays over de moed en veerkracht in een menselijk leven. Zo schrijft hij hoe historische figuren als Cicero, Albert Camus, Anna Achmatova en Gustav Mahler zich door moeilijke, soms helse perioden heen wisten te worstelen en in de meest extreme situaties toch nog een boodschap van troost wisten door te geven. „Eigenlijk is dit boek geïnspireerd op het denken van politiek filosoof Isaiah Berlin. We waren goed bevriend en ik heb veel van hem geleerd. Zijn stelling was: ideeën komen voort uit het leven. Je kunt het werk van een schrijver of denker niet begrijpen als je niet ook zijn of haar omstandigheden kent.”

Troost getuigt daarnaast ook van zelfonderzoek. Iets dat begon toen Ignatieff, zes jaar geleden tijdens het luisteren naar psalmen in een concertzaal in Utrecht, tot zijn verrassing diep ontroerd raakte. Hoe kon het dat deze oude religieuze taal hem, als ongelovige, kon betoveren? In de periode daarna, tijdens de lockdown in 2020 waarin hij met zijn vrouw Zsuzsanna geregeld luisterde naar dichters en schrijvers die uit eigen werk voordroegen of naar musici die werk van Beethoven en Brahms vertolkten, voelde hij zich nog meer aangetrokken tot het onderwerp ‘vertroosting’. Het bracht hem ertoe om zich, zoals hij in de inleiding van zijn boek schrijft, te verdiepen in het werk van grote mannen en vrouwen die ‘in somberder tijden dan die van ons hebben geleefd en verlichting hebben gevonden in kunst, filosofie en religie.’

Het resultaat is, zoals hij het zelf samenvat, „een diep doorvoeld persoonlijk project” geworden. Zo schrijft Ignatieff hoe hij zich tijdens het schrijven van het boek rekenschap gaf van wat hij zelf verloren had en blikt hij terug op zijn eigen leven. Van alle voordelen die hij genoot – liefhebbende ouders, klasse, ras en opleiding – was dat existentiële gevoel ‘bijzonder te zijn’ het meest hardnekkig. Het gaf hem lange tijd de illusie dat hem een passe-partout was verschaft „voor een vrije doorgang door het leven”.

Absurd, concludeert hij nu achteraf. „Als je je zo speciaal voelt, zoals ik deed, denk je dat je immuun bent. Maar als je ouder wordt, kom je erachter dat die speciale status een illusie blijkt: je valt ten prooi aan pech, verlies of zelfoverschatting. Je blijkt helemaal geen passe-partout te hebben gekregen, maar moet, net als ieder ander, de rekening betalen.”

In het geval van Ignatieff vond dit plaats in de jaren negentig. In een tijdsbestek van zes jaar verloor hij beide ouders. „Mijn moeder kreeg alzheimer. Op het einde herkende ze me niet meer, ze stierf op haar 74ste. Daarna werd mijn vader op een ochtend wakker en zei ‘ik voel me niet lekker’. De volgende dag was hij dood. Een hartaanval. Zijn dood was het directe gevolg van zijn lange zorg voor mijn moeder.” In diezelfde periode klapte zijn huwelijk. „Ik ben daarna opnieuw getrouwd, maar die opeenstapeling van ellende, in zo’n korte periode, deed me voor het eerst beseffen dat ik ben als ieder ander. Het waren bijzonder pijnlijke en moeilijke ervaringen en toch, in feite was het niets bijzonders. Dit is wat het leven met je doet.”

Diepe eenzaamheid

Zijn er momenten in het leven dat het onmogelijk is een ander te troosten? Dat is een van de kernvragen die Ignatieff probeert te beantwoorden in zijn boek. Het bemoedigen van een ander blijkt soms niet afdoende. Er zijn grenzen aan wat taal kan doen en soms is verdriet onoplosbaar of bestaat het, simpelweg, slechts uit diepe eenzaamheid.

Toch is het in het Westen een traditie geworden om dat intense lijden via het schrift te delen en van een antwoord te voorzien. In Troost wijst Ignatieff op het boek Job en de brieven van Paulus als voorbeelden van hoe, binnen het geloof, het individueel lijden in een breder kader van een goddelijk plan werd geplaatst. Of hoe de klassieke Romeinse stoïcijnen dachten dat het leven minder pijn zou doen als ze hun reactie op verlies konden beheersen. Ook schrijft hij over sceptische humanisten, onder wie Michel de Montaigne en David Hume, die beiden de troost niet meer konden vinden in de filosofie. Zo legt hij uit hoe Hume, als jongeman gekweld door een psychische aandoening, leerde dat je je niet alleen door te denken met het leven kunt verzoenen. „Eenzaamheid en twijfel aan zijn eigen opvattingen zorgden ervoor dat hij op zijn 27ste een meesterwerk voltooide maar tegelijkertijd concludeerde dat filosofie geen troost bood.” Ook Montaigne, die zich eind zestiende eeuw, op latere leeftijd, had teruggetrokken in zijn slot bij Bordeaux, en daar het derde deel van zijn Essais schreef, kwam tot een soortgelijke conclusie. „Troost kwam niet via het hiernamaals of via stoïcijnse standvastigheid”, zegt Ignatieff. Als jongeman was Montaigne ervan overtuigd dat zijn geest zijn meester was, maar naarmate hij ouder werd en zijn lichaam hem in de steek liet, kreeg hij heel andere ideeën. „Montaigne schrijft ergens dat hij een dame wilde troosten die echt verdriet had. Eerst wil hij haar Seneca of Cicero voorlezen, maar dan denkt hij: nee, ik ga gewoon met haar zitten.” Opvallend, want Montaigne was destijds een van de grootste geleerden en bezat een bibliotheek vol wijsgerige werken. Toch liet hij de boeken links liggen. „Dat kan je alleen begrijpen als je weet hoe hij er aan toe was”, zegt Ignatieff. „Hij leefde al jaren te midden van een burgeroorlog, had mensen aan de pest zien bezwijken, was uit zijn eigen huis verjaagd en had nierstenen die hem vreselijke pijnen bezorgden. Deze hoog ontwikkelde intellectuele man kijkt op dat moment naar al die boeken in zijn toren en denkt: ‘er is niets meer wat jullie mij kunnen brengen’. Ik vind dat een belangrijk moment in de westerse cultuur: het inzicht dat de filosofie maar een beperkte rol heeft in het bieden van troost.”

Tot die conclusie komt u ook in uw essay over Albert Camus. U schrijft hoe Rieux, de arts in zijn roman ‘La peste’ (1947), niemand kan genezen en hoe de bejaarde moeder van Rieux op een gegeven moment zwijgend waakt naast zijn stervende vriend Tarrou.

„Camus kwam uit Algerije, zijn moeder was een arme, analfabete, dove weduwe en een belangrijke figuur in zijn leven. Toen ik La peste recent herlas, werd me ineens duidelijk hoe belangrijk daar ook de rol van een zwijgzame, maar aanwezige vrouw is. De moeder van Rieux is misschien het minst opvallende personage in het boek, maar haar woordeloze aanwezigheid in de duisternis, naast het bed van de stervende vriend, is van belang. Camus wil dat echt benadrukken.

„Het is natuurlijk absurd om arts te zijn tijdens een plaag en niemand te kunnen genezen. Daarin schuilt ook de absurditeit. Maar als iemand in zo’n totaal hopeloze, betekenisloze situatie naast je gaat zitten om samen de nacht door te brengen, dan is dat de troost die we elkaar kunnen brengen, zonder dat die een religieuze betekenis heeft. De troost schuilt in de handeling zelf, in het daar zijn. Voor mij is dat het meest ontroerende deel van het boek.”

Waarom bent u daar zo door geraakt?

„Voor de oorlog had Camus onder meer L’étranger uitgebracht. La peste, dat in 1947 verscheen, gaat opnieuw over de absurditeit van het leven. Maar de oorlog, en de lange uitzichtloze situatie tijdens het verzet tegen de Duitsers, veranderden hem. Het afstandelijke intellectualisme van tijdgenoten als Sartre en Simone de Beauvoir begon hij belachelijk te vinden. Er bestond inderdaad geen garantie dat mensen moreel zullen handelen, maar in feite laat hij zien dat dit overduidelijk wel is wat een mens voor een ander zou moeten doen. Rieux kan niemand genezen, alleen andermans lijden verlichten. Juist dat gegeven is niet absurd, het is wat een mens behoort te doen.

„In tijden van leven en dood zijn er mensen die op een deugdzame wijze reageren, dat is wat Camus had gezien in het verzet, en er zijn mensen die zich slecht gedragen. Laten we ons scharen aan de zijde van hen die zich goed gedragen. Daarin schuilt de troost. We zitten niet in een absurde wereld, de verantwoordelijkheden die we hebben zijn heel duidelijk.”

Wat kunnen we nu van Camus leren?

„Precies dat. Uiteindelijk zijn onze verantwoordelijkheden helder en duidelijk. Ik weet niet wat hij nu zou zeggen over antivaxers, daar wil ik ook niet op ingaan, maar ik denk dat als een diepe, menselijke solidariteit wordt uitgedaagd, onze plichten ineens heel duidelijk zijn. We hoeven niet op een teken te wachten, kom gewoon in actie! Probeer, als je kunt, het lijden van anderen te verlichten en probeer vooral verantwoordelijk te zijn.”

In uw boek heeft u het over de ‘taal der vertroosting’ die wordt doorgeven. U schrijft bijvoorbeeld hoe Dante, verbannen uit zijn geboortestad Florence, de troostende filosofie van Boëthius las. Dit inspireerde hem tot het schrijven van ‘De goddelijke komedie’ en minder dan 500 jaar later was het Primo Levi die zich in Auschwitz weer enkele regels van Dante herinnert.

„Alle vormen van depressie, verlies, mislukking en dood maken dat je in eenzaamheid wordt teruggeworpen. Wanneer iemand samen met je lijdt en begrijpt waar je doorheen gaat, kan dat troosten, het is een ervaring van solidariteit en die kan ook door de tijd heen worden doorgegeven. Ik hoop dat mijn boek laat zien hoeveel mensen al met verlies en angst hebben moeten omgaan en toch een manier hebben gevonden om daar betekenis aan te geven. Het geeft hoop om door te gaan. Ik doel dan niet op kosmische hoop of politieke hoop, maar de hoop om stapje voor stapje vooruit te gaan.”

In uw boek gaat u ook in op de poëzie van de Russische dichter Anna Achmatova die de Stalinterreur onder woorden bracht en heeft u het over de Italiaans-Joodse schrijver Primo Levi die Auschwitz overleefde. Zij hebben woorden ontwrongen aan extreme omstandigheden en de herinnering aan de vervolgden levend gehouden.

„Dat is de hoop die je hebt. Maar er bestaan nog steeds Holocaust-ontkenners. En Vladimir Poetin noemt het uiteenvallen van de Sovjet-Unie nog altijd de grootste ramp van de 20ste eeuw. Dat is dus de leider van een land! Iemand die actief de realiteit van een van de ergste vormen van terreur ontkent. We zijn geneigd om mensen als Achmatova en Levi als heroïsche voorbeelden van onze humaniteit te beschouwen. Maar dat is een valse troost. Het sublieme proza van Levi doet niets tegen de realiteit van Auschwitz. Je kunt niet stellen dat we ons nu beter over de mensheid voelen omdat een geweldig mens de gruwelijkheden heeft overleefd en dit heeft weten te beschrijven. Dat spel kun je niet spelen met de werkelijkheid. Auschwitz was Auschwitz. Punt. Hetzelfde geldt voor Achmatova. Mensen beschouwen haar als het symbool van de ongebroken Russische ziel. Give me a break.”

Lees ook:Michael Ignatieff over de schoonheid van gewone deugden

U heeft een aantal jaren ambities gehad als leider van de Liberale Partij in Canada en zelfs geprobeerd een coalitie-regering te vormen. Dat is uitgelopen op een mislukking. Heeft dat er ook voor gezorgd dat u zich uiteindelijk minder speciaal ben gaan voelen?

„Als je denkt dat je zonder enige ervaring de politiek in kunt gaan, moet je inderdaad wel denken dat je speciaal bent. Dan is er ook wel iets mis met je zelfbeeld. Dus ja, ik heb daar zeker van geleerd, namelijk om te lachen om mijn eigen overmoed. Maar ik heb er geen spijt van dat ik het heb geprobeerd, al vind ik het wel erg dat ik mensen heb teleurgesteld.”

Heeft het schrijven van dit boek u nog enig inzicht gegeven in uzelf?

„Het is belangrijk te weten waar je verantwoordelijk voor bent en dat je vooral jezelf niet al te serieus moet nemen. Ik ben blij dat ik me in mijn leven speciaal heb gevoeld. En nu geloof ik dat ik niet meer bijzonder ben en dat voelt ook goed. Ik denk dat het boek het resultaat is van deze reis.”