Opinie

Rutte IV maakt van economische groei een piramidespel

Nieuw kabinet Klimaatdoelen kunnen niet worden gehaald zonder economische krimp. Dat besef spreekt volgens onvoldoende uit het regeerakkoord.

Minister Kamp bij de ingebruikname van een mestvergister in 2016
Minister Kamp bij de ingebruikname van een mestvergister in 2016 Foto Kees van de Veen

Het regeerakkoord is niet van deze tijd. Er wordt nog steeds van uitgegaan dat we in een eindige wereld oneindig economisch kunnen groeien. Het is binnenkort vijftig jaar geleden dat het rapport van de Club van Rome de opdoemende ‘Grenzen aan de Groei’ in kaart bracht. Die afgelopen 50 jaar is om ideologische redenen voorrang gegeven aan economische groei boven behoud van milieukwaliteit en een hoogwaardige woon- en leefomgeving.

Terwijl er via de media nu voortdurend apocalyptische beelden tot ons komen, zowel in de fysieke vorm van tornado’s, bosbranden en overstromingen als in de sociale vorm van extreem straatgeweld (Rotterdam), wordt er in het regeerakkoord nog steeds van uitgegaan dat we tegelijkertijd kunnen streven naar een ‘duurzame economie en de versterking van ons verdienvermogen’.

De groei is voor het overgrote deel neergeslagen bij aandeelhouders en speculanten. Die willen de groei van het industrieterrein Nederland graag voortzetten en daarvoor moeten steeds weer nieuwe arbeidsmigranten worden binnengehaald, die natuurlijk ook weer woningen, mobiliteit, onderwijs en gezondheidszorg nodig hebben. En zo wordt economische groei een piramidespel waar de voortuitgang alleen ten goede komt aan aandeelhouders, die meestal niet zelf op het industrieterrein wonen.

Technologie

De misvatting van de oneindige economische groei steunt op de veronderstelling dat de technologie de steeds groter wordende fysieke en sociale problemen gaat oplossen. Ook dat is een misvatting. Zo blijkt uit vrijwel alle wereldwijde studies van de afgelopen decennia dat de klimaatdoelstellingen alleen maar kunnen worden gehaald door een min of meer gelijke inzet van nieuwe technologie en volumevermindering (krimp).

Dat geldt ook voor het Nederlandse klimaatbeleid. In het gunstigste geval halen we in 2030 zo’n 10 procent van ons totale energiegebruik uit zon en wind. Die overige 90 procent blijft vooralsnog noodzakelijkerwijze fossiel. Om de EU-doelstelling van een reductie van de CO2-uitstoot met 55 procent te realiseren, zullen we dus veel minder energie moeten gaan gebruiken, niet meer.

Hetzelfde geldt voor het stikstofprobleem. Het heeft geen zin om steeds weer met allerlei, veelal dezelfde, technieken aan te komen waarmee de stikstof van lucht naar bodem en water wordt geschoven en weer terug. Er komt eenvoudigweg veel te veel stikstof Nederland binnen in de vorm van veevoer. We lossen het probleem alleen maar op door die instroom fors terug te brengen, bijvoorbeeld door middel van heffingen. Dat is niet alleen goed voor ons, maar ook voor het behoud van biodiversiteit en natuur in Zuid-Amerika. Dat zou dan neerkomen op extensivering van de landbouw en veehouderij, waarbij de economische positie van boeren definitief kan worden verbeterd door het weer invoeren van intelligente garantieprijzen.

‘Echte prijzen’

De problemen kunnen alleen worden opgelost door dergelijke ‘echte prijzen’ te gaan berekenen, waarin de effecten op milieu en sociale omstandigheden zijn meegerekend. ‘Klimaatrechtvaardigheid’ kan alleen worden bereikt met een uniforme heffing, omdat ieder molecuul CO2 in de atmosfeer dezelfde uitwerking heeft op het klimaat, ongeacht uit welke bron die emissie afkomstig is. Want waarom zou iemand ‘van het gas af moeten’ als zijn buurman niet ‘van het vliegtuig af’ moet? Waarom moet iemand een windmolen in zijn achtertuin accepteren als hij belasting moet betalen om de opgewekte stroom tegen zeer lage tarieven weg te geven aan datacentra (Zeewolde) en andere grootverbruikers? Waarom worden meer algemeen aan verschillende (groot-verbruikende) sectoren, en daarmee industriële producten, enorme kortingen gegeven op de kostprijs van energie (drie tot tien keer minder) en op de energiebelasting (tot honderd keer minder)?

Waarom zou iemand ‘van het gas af moeten’ als zijn buurman niet ‘van het vliegtuig af’ moet?

Terwijl ‘economische structuurpolitiek’ in politiek Den Haag in de afgelopen decennia een verboden onderwerp was, wordt door middel van dergelijke immense subsidies wel degelijk structuurbeleid gevoerd, ten voordele van groot-verbruikende en daarmee specifieke economische sectoren. Zonder een uiteindelijk naar een uniforme prijs toegroeiende CO2-heffing voor alle sectoren, kunnen deze verdelingsvragen politiek principieel niet worden beantwoord en zal er dus van klimaatbeleid, en ook van stikstofbeleid, weinig terechtkomen.

Rechtvaardige heffing

Door middel van dergelijke rechtvaardige heffingen wordt de verantwoordelijkheid voor de combinatie van nieuwe technieken en besparing van energie en grondstoffengebruik teruggelegd bij burgers en bedrijven. Het toekomstig kabinet moet daarom geen subsidies, maar verantwoordelijkheden uitdelen. Alleen op die manier kan door marktwerking de optimale afweging plaatsvinden tussen de inzet van technologie en volumebeleid.

Natuurlijk kan de politiek daarbij expliciete uitzonderingen maken voor kwetsbare groepen zoals mensen met lage inkomens in slechte huizen, door bijvoorbeeld de eerste 1.500 kubieke meter gas vrij te stellen van energiebelasting. Het kabinet kan zich inzetten voor een dergelijke heffing in EU-verband of samen met een groep welwillende Noordwest-Europese landen.

Wanneer geen subsidies, maar verantwoordelijkheden worden uitgedeeld, is het ook niet nodig om voor het klimaat- en stikstofbeleid vanuit de collectieve sector enorme bedragen te gaan lenen en uit te geven aan nog onbewezen technologie. En dat terwijl de gedachtegang altijd was dat niet de overheid, maar de markt zou moeten uitmaken wat de beste technologie is, en wat de beste investeringen zijn. Als we langs die weg afzien van de voorgestelde kansarme technologiesubsidies, hoeven toekomstige generaties niet op te draaien voor het terugbetalen van de enorme bedragen. En daar ging het bij ‘duurzaamheid’ nou juist om. Dat we toekomstige generaties niet zouden belasten met de gevolgen van ons onhoudbare consumptiepatroon.