Keltische migratiegolf naar Engeland, 3.000 jaar geleden

Paleogenetica Sporen van de migratie werden teruggevonden in een groot aantal nieuwe dna-sequenties uit botmateriaal.

Een bijl die is opgegraven in het graafschap Herefordshire, op de grens met Wales. Het werktuig dateert uit 950 tot 750 voor Christus.
Een bijl die is opgegraven in het graafschap Herefordshire, op de grens met Wales. Het werktuig dateert uit 950 tot 750 voor Christus. Foto Portable Antiquities Scheme/Trustees of the British Museum

Drieduizend jaar geleden vond een invloedrijke migratie plaats van het continent naar Zuid-Engeland, die mogelijk samenhangt met de verspreiding van de Keltische talen. Sporen van die migratie zijn teruggevonden in het paleo-dna van mensen die toen in Engeland leefden. Dit blijkt een grootscheeps onderzoek dat woensdag is gepubliceerd in Nature, door een groot team van archeologen en genetici onder leiding van Nick Patterson en David Reich (beide Harvard University).

De genetici konden de migratie terugvinden dankzij een enorm aantal nieuwe dna-sequenties uit botmateriaal uit de periode 1550 v.Chr. tot 50 n.Chr. (Midden- en Late Bronstijd en IJzertijd), 416 uit Brittannië en 375 uit Centraal- en West-Europa. Dankzij deze veel grotere aantallen (bijna een verdertigvoudiging voor Brittannië) doken er uit de periode 1300-1000 v.Chr. een paar individuen op met een opvallende afwijkende genetische signatuur, waarschijnlijk de eerste migranten. Hun dna lijkt het meest op dat van mensen die in dezelfde tijd in Frankrijk woonden, maar heeft ook duidelijk banden met dna uit een urnenveldcultuur uit Centraal-Europa, de Knoviz-cultuur, die weleens in verband is gebracht met vroege Keltische cultuur. In de periode 1000 tot 800 v.Chr. is in het paleo-dna goed te zien dat die nieuwe continentale genetische signatuur zich verder verspreidt in Zuid-Engeland en Wales.

Het gaat om een genetische signatuur die vooral gekenmerkt wordt door een relatief hoog niveau van afkomst van de eerste Europese boeren, dat in deze periode een teken is van continentale herkomst. Die genetische ‘boerensignatuur’ gaat terug op de komst van de eerste landbouwers in Europa, die vanaf 7000 v.Chr. vanuit Anatolië en de Balkan het continent koloniseerden. Volgens de berekeningen van de onderzoekers droegen deze Late Bronstijdmigranten naar Brittannië uiteindelijk ongeveer de helft bij van de afstamming de mensen die in de IJzertijd (750 v.Chr.-50 n.Chr.) in Engeland en Wales woonden. Het aandeel van het ‘eerste Europese boeren’-dna steeg door de nieuwkomers van 31 procent rond 2000 v.Chr. tot 37 procent in de IJzertijd.

De migratie was hoogstwaarschijnlijk geen snelle ‘invasie’

De migratie was hoogstwaarschijnlijk geen snelle ‘invasie’, maar bestond vermoedelijk uit een gestage stroom van immigranten over honderden jaren, zo schrijven de onderzoekers. Precies die periode tussen 1500 en 1150 v.Chr. geldt in de archeologie als een tijd van nauwe contacten tussen Brittannië en het continent, met aan beide zijden van het Kanaal dezelfde stijlen in keramiek en grafgiften. Omdat de onderzoekers uit deze periode juist uit West- en Centraal-Frankrijk over relatief weinig paleo-dna-gegevens beschikken, is het nog niet duidelijk of het bij die migratie en culturele invloed gaat om éénrichtingsverkeer van het continent gaat of om wederzijdse uitwisseling. Vanaf 750 v. Chr., het begin van de IJzertijd, zijn er minder sporen van contact.

Omdat de verspreiding van de Keltische talen naar Engeland en Wales vanuit Frankrijk vaak aan het einde van de Bronstijd wordt geplaatst, ligt het voor de hand om de nu geconstateerd migratie in verband te brengen met die taalverandering. En dat is ook precies wat de onderzoekers doen, al benadrukken ze ook dat dat verband nog onzeker is. Paleo-dna-onderzoek in Frankrijk en Ierland zal dat verband sterker kunnen maken.

‘Boeren-dna’

Deze Late Bronstijdmigratie, met de bijbehorende verhoging van het boeren-dna, biedt ook een verklaring voor het oude raadsel dat de huidige bevolking van Engeland en Wales een hoger aandeel ‘boeren-dna’ heeft dan de voorouders uit de Bronstijd. Hoe komen ze daaraan? De enige tot nu toe bekende migratiegolf ná de Bronstijd, die van Angelen, Saksen en Denen in de vroege Middeleeuwen, kon dat hogere percentage niet verklaren.

Met de ontdekking van deze continentale migratie rond 1300 à 1000 v.Chr. is ook weer een nieuw hoofdstuk geschreven in de veelbewogen migratiegeschiedenis van de Britse eilanden, die begon met de eerste bewoning na de IJstijd, rond 10.000 v.Chr. door West-Europese jagers-verzamelaars. Rond 4000 v.Chr. kwamen de eerste boeren, die al snel voor 80 procent het dna van de bewoners gingen bepalen. Tussen 2500 en 2000 v.Chr. kwam waarschijnlijk het meest dramatische migratiemoment, toen dat ‘boeren-dna’ met de komst van de klokbekercultuur voor een groot deel werd verdrongen door ‘steppe-dna’, afkomstig van nakomelingen van Yamnaia-cultuur uit het Zwarte Zeegebied, die waarschijnlijk de Indo-Europese talen naar Europa brachten. De ontdekking van die snelle verandering in dna-signatuur van de bewoners van Engeland in een klein aantal eeuwen, ook door een team onder leiding van David Reich, baarde vier jaar geleden veel opzien, en leidde tot discussie of die verandering met veel geweld gepaard is gegaan of dat het toch vooral lag aan hogere vruchtbaarheid van de nieuwkomers. De nu ontdekte migratie heeft dus daarna dat genetische aandeel van de eerste Europese boeren weer een beetje opgekrikt, in Engeland en Wales.

Lees ook De steppe-invasie in de bronstijd