Nederlandse ‘Cultuurstelsel’ op Java leidde tot flinke oversterfte

Geschiedenis Gedwongen arbeid leidde in de negentiende eeuw op het eiland Java tot aanzienlijke oversterfte onder de plaatselijke bevolking.

Onder het toeziend oog van een Nederlandse opzichter plukken Javaanse vrouwen koffie.
Onder het toeziend oog van een Nederlandse opzichter plukken Javaanse vrouwen koffie. Foto Collectie Stichting Nationaal Museum van Wereldculturen (CC BY-SA 3.0)

Het Cultuurstelsel heeft op het Indonesische eiland Java tussen 1834 en 1879 geleid tot een aanzienlijke extra sterfte onder de bevolking. Historici van de Wageningen Universiteit en de Universiteit Utrecht concluderen dat een toename van het aantal mensen dat er gedwongen arbeid moest verrichten, leidde tot een toename in het aantal sterfgevallen. In 1840, op het hoogtepunt, stond een toename van elke duizend gedwongen arbeiders gelijk aan dertig extra sterfgevallen per jaar. De onderzoekers publiceerden hun bevindingen maandag in The Journal of Economic History.

Het Cultuurstelsel was een systeem waarbij de Nederlandse overheid Indonesiërs dwong bijzonder winstgevende gewassen als koffie, suiker en thee te verbouwen. De verdiensten van de verkoop verdwenen in de zakken van de Nederlandse staat en in die van inheemse vorsten. De bevolking kon minder rijst verbouwen, wat leidde tot voedseltekorten. Deze voor de kolonisator bijzonder profijtelijke constructie kwam in de tweede helft van de negentiende eeuw steeds meer onder vuur te liggen, mede dankzij de roman Max Havelaar (1859) van Multatuli. Vanaf de jaren zeventig van de negentiende eeuw werd het systeem uitgefaseerd.

„Wij vonden het belangrijk om te onderzoeken wat nu precies de gevolgen van het Cultuurstelsel waren voor de bewoners van Java”, zegt Pim de Zwart, hoofdauteur van het artikel en universitair docent aan de Wageningen Universiteit. „Veel historisch onderzoek richt zich op de economische impact van het systeem, en of er mogelijk een gunstige invloed is geweest op de latere economische ontwikkeling van Indonesië. Onze focus ligt op de menselijke kosten.”

Voor hun onderzoek verzamelden De Zwart en zijn co-auteurs de sterfte- en geboortecijfers op Java tussen 1834 en 1879. Die werden door de plaatselijke overheid nauwkeurig bijgehouden. Daar legden ze de administratie van het Cultuurstelsel naast: hoeveel Javanen werkten er op een gegeven moment gedwongen aan de teelt van gewassen die in Europa veel geld opbrachten? De conclusie van die vergelijking: er is een duidelijke correlatie tussen stijgende sterftecijfers en een groei in het aantal dwangarbeiders.

Nu wil zo’n correlatie niet zeggen dat er sprake is van een oorzakelijk verband, weet De Zwart. „Dus zijn we op zoek gegaan naar andere factoren die een rol zouden kunnen spelen bij een toename van het sterftecijfer. We keken naar indicatoren van economische ontwikkeling zoals de hoeveelheid vee en rijstprijzen, maar we vonden niets dat de sterftecijfers beter verklaarde dan een toename van het aantal dwangarbeiders.”

Uit het onderzoek van De Zwart blijkt overigens ook dat er een duidelijk verband bestaat tussen dwangarbeid en de prijzen die in Amsterdam voor goederen als koffie en suiker worden betaald. „Als de prijzen laag zijn, zie je het volgend jaar dat meer mensen op de plantages moeten werken. Zo wilde lokale koloniale ambtenaren de productie opdrijven om de verdiensten op peil te houden. Onze analyses tonen dat de marktprijzen voor cultuurproducten in Amsterdam, via de vraag naar gedwongen arbeid, in relatie stonden met sterfte op Java.”

De extra sterfte op Java werd waarschijnlijk veroorzaakt door de erbarmelijke hygiënische omstandigheden op de plantages waar het gedwongen werk werd verricht, denkt De Zwart. „Ook gebrekkige voeding zal een rol hebben gespeeld. Veel Javanen werden ziek, en namen die besmettelijke ziektes mee naar hun dorp als hun dienst op de plantage erop zat.”