10 voetnoten van 10 schrijvers, over Grunberg

Arnon Grunberg | winnaar P.C. Hooftprijs

Arnon Grunberg (50) krijgt de P.C. Hooft-prijs van 2022, de grootste oeuvreprijs in de Nederlandse literatuur. De jury noemt hem „ongeëvenaard in ambitie, productiviteit en intellectuele kracht”.

Illustratie Ted Struwer

Grunberg schreef in zijn dertigjarige schrijversloopbaan onder meer romans, novellen, columns, essays, reportages, brieven, opiniestukken, toneelteksten, verhalen en zo’n 2.500 ‘Voetnoten’ op de voorpagina van de Volkskrant. NRC vroeg tien schrijvers om een Voetnoot over Arnon Grunberg.

Irritatie

Jongere schrijvers hebben iets irritants – vooral als ze niet héél veel jonger zijn dan jij. Tien jaar is hier de grens. Schrijvers met wie je meer dan tien jaar scheelt, zijn van een heel andere generatie, dat zijn heel andere schrijvers; ze zijn gevormd door andere kaders, leven in andere kooien, hebben andere voedingstijden, zijn opgegroeid op ander voer. Juist de schrijvers met wie je niet zo veel in leeftijd verschilt, zullen eeuwig jong blijven. Ook als ze eerder gedebuteerd zijn dan jij (Grunberg), maandelijks het aantal woorden schrijven waar jij een jaar over doet (Grunberg), en meer aspecten van de wereld hebben onderzocht dan jij ooit zal doen (Grunberg). Voordat je irritatie overwint moet je haar eerst koesteren. De vraag is hoe lang je die koestering moet volhouden voor de overwinning onhaalbaar wordt. Tien jaar is te lang, tien seconden te kort. Elke overwinning is een begin, geen eindpunt.

Droom

Volgt nu een gênante bekentenis. Literatuur moet de schaamte opzoeken, leerde ik van schrijvers, of misschien is het andersom, literatuur is een vlucht uit de schaamte; dat laatste vind ik meer à la Grunberg.

Het was niet lang na het verschijnen van mijn debuutroman toen ik droomde dat ik een zaal betrad waar Grunberg een lezing zou geven. Hij zat al op het podium achter een tafeltje, de stoelen in de zaal bezet, ik was laat. Toen ik van achteraan binnenkwam, kreeg de schrijver mij in het vizier. Plots begon hij te klappen, met zijn blik strak op mij gericht. Eerst langzaam – ik wist niet of het cynisch was of oprecht – en toen steeds sneller, tot de hele zaal uit de stoelen opstond en meedeed.

Mijn prille schrijverschap, gezegend door Arnon Grunberg. Mijn onderbewustzijn had me nooit eerder gevierd, en dat zou ook de laatste keer zijn.

Spookschrijver

Grunstein schreef dat welgemeend verzet tegen de chaos enkel platitudes voortbrengt zoals de droom waarin hij groepsseks had een cliché is zoals liefde afgesleten is zoals de dood absoluut is. Hij vertrok daarop naar het buitenland om een documentaireserie te maken.

In de eerste aflevering speelt hij een bakker die ironische bagels maakt in een ontsmette keuken. Aan het einde van de eerste bagel, eet Grunstein de aflevering op. Hij annonceert – smakkend – daarover te zullen schrijven.

In de laatste aflevering zien we hoe Grunstein schrijft. Hij wijst, in een propvol laboratorium, één van de honderden op hem lijkende spookschrijvers aan. De uitverkorene begint onmiddellijk te typen. Grunstein doet een handstand. Als het stuk af is, houdt hij er een lezing over.

De titel van Grunsteins voetnoot over die lezing ben ik vergeten, maar hij was gewaagd speels. Ook het aansluitende boek was verontrustend.

Arnon Grunberg ken ik niet.

Hulde, hulde

Hulde vandaag aan Arnon, aan de humor en de tegendraadsheid, aan de schaamte, aan het sukkelen in trainingspak op de dansvloer, aan het tedere duet, hulde aan het spelen en aan het ongemak, hulde aan het huisdier, aan de toewijding en de therapie, aan het openklappen van de laptop en dag na dag aan het gulzige, vunzige brein, hulde aan de verslavende nieuwsgierigheid, aan de goede en de dubieuze bedoelingen, aan de nette tafelmanieren, hulde aan de voorsprong en de verstopplaats, aan de gedaanteverwisselaar, aan de oplichter, hulde aan het personage en de voyeur, hulde aan de navel, vol wrok en mildheid, aan de dobbelsteen en de controle, aan de nederlagen, hulde aan het briefschrijven en aan de ongrijpbaarheid, hulde, hulde, aan het uitgesproken brilmontuur en de gekoesterde sjaal, aan de omarming, hulde aan het altijd in beweging zijn, met onnavolgbare tiksnelheid en lenige geest, hulde aan het oefenen voor de deerniswekkende spagaat.

Haat, of Grunbergs zin

Kwade tongen beweren weleens dat ik word voorgetrokken door mijn uitgever, omdat hij tevens mijn broer is. Dat klopt: de 24-uurs leesclub die Das Mag in 2017 organiseerde met Grunberg, kostte 100 euro maar voor mij slechts de helft van dat bedrag. Zonder werkzame familie bij BNNVARA te hebben, werd ik uitgenodigd om bij het programma Pauw vooruit te blikken op mijn deelname.

In de visagie zat ik naast Pauw zelf, die me vertelde dat literatuur eigenlijk niet werkt op televisie: het duurt te lang. „Toch is het prachtig”, zei hij. Sindsdien haat ik Pauw. Ik heb zoveel mensen gehaat dat ik soms vreesde van haat uit elkaar te spatten. Tot ik deze zin van Grunberg aantrof: „Als het met de woede goed zit, valt er voor vorm en stijl wel een oplossing te verzinnen.” Die heb ik op mijn laptop geplakt, voor iets wat altijd kort duurt: troost.

Lachspiegel

Meest gehoorde uitspraak bij het bericht van de toekenning van de P.C. Hooftprijs 2022 aan Arnon Grunberg is volgens mij: ‘Maar die hád ‘ie toch allang?’ Sinds zijn debuut Blauwe Maandagen in 1994 schampen onze schrijverslevens elkaar regelmatig, en recent is dat wat meer dan schampen, dat heeft te maken met een belangrijk element van zijn schrijverschap; Arnons nieuwsgierigheid en wil om steeds opnieuw besloten plekken van de samenleving te verkennen, daarin als een mol te graven en gangen aan te leggen. Ik ken lang niet al zijn werk, maar wat ik ken toont me dat zijn schrijven een manier van heel aandachtig waarnemen en denken is. Ik bewonder zijn onverschrokkenheid en intellectuele kracht, speelsheid en ernst, zijn soms treiterig-tergende vermogen tegengestelde aspecten van ons menszijn en onze geschiedenis samen te brengen en als in een lachspiegel aan ons te tonen.

Zijn spel

Ooit, nog voor het uitkomen van mijn debuutroman, schreef ik in nrc.next een essay over schaamte. Tot mijn verrassing reageerde Arnon Grunberg daarop in zijn column in Vrij Nederland. Toen ik zijn werk ging lezen (tamelijk laat, maar ik ben met alles laat) werd me duidelijk dat ik op zijn terrein was gekomen. Ik denk dat veel Nederlandse schrijvers dat gevoel wel eens hebben gehad: dat ze op zijn terrein komen. Zijn expansieneigingen zijn echter zo exorbitant dat elk thema in feite ook weer vrij ligt.

Wat bij Grunberg het verhaal ook is, in welke vernederende situaties hij zijn personages ook brengt, altijd maakt hij die nóg weer erger, zo erg dat het ridicuul wordt of onaangenaam. Dat is zijn spel. Door te spelen kun je met je schaamte (over eigen fouten) leven. Die opvatting levert toch leukere boeken op dan dat gangbare alternatief: verzoening door voldoening aan het kruis.

Absurdisme

Ik weet niet hoe anderen het ervaren, maar mijn vriendschap met Arnon heeft iets absurdistisch. Wellicht heeft dit te maken met onze gedeelde liefde voor theater (we zijn beiden mislukte acteurs).

Restaurants zijn onze schouwburg. Arnon had ooit een smaak voor ouderwetse, chique, dure Italiaanse restaurants in New York, waar stokoude obers in uniform met uitgestreken gezichten hele oude rijke heren en hun hele jonge maîtresses bedienden. Het eten smaakte duur. Maar het ging voornamelijk om het decor.

Arnon had geen jonge maîtresse bij zich, maar stelde mij voor aan zijn nieuwste vriendin, een aantrekkelijke Joodse dame van ver in de tachtig.

Het moet in een van die restaurants zijn geweest dat wij onze fantasie lieten gaan over absurde artikelen die wij gezamenlijk aan de culturele pagina’s van NRC Handelsblad zouden aanbieden. „Julius Streicher: een miskend genie.” Dingen van dien aard. Helaas is dit voorlopig alleen bij een idee gebleven.

Die vriendelijke man

In 2007 was ik stagiair op het Institut Néerlandais. Grunberg kwam naar Parijs voor de presentatie van Le Messie juif. De avond was bedoeld om het boek onder de aandacht te brengen van de Franse intelligentsia, maar er kwamen voornamelijk landgenoten met belangstelling voor de gratis hapjes.

Aan een Parisienne probeerde ik de geniale scène na te vertellen waarin Xavier, na een problematische besnijdenis, ligt te creperen voor zijn moeders voordeur.

Tien jaar later, in New York, werden Arnon en ik allebei uitgenodigd voor een diner bij een Boliviaanse kunstenaar. Terwijl we uitkeken over de Upper West Side vergat ik het belangrijkste: met Grunberg praten over zijn werk.

Het was alsof ik niet helemaal had begrepen dat die vriendelijke, Engelssprekende man in een appartement op de 51ste verdieping van een flatgebouw in Manhattan, dezelfde was als de Nederlandse schrijver met wiens boeken ik was opgegroeid.

Oliemannetje

April dit jaar, precies toen zijn dagen geteld leken, kreeg onze premier ruggesteun van de belangrijkste schrijver van het land. In een essay in de Volkskrant waste Grunberg al Ruttes zonden schoon: liegen is vergeeflijk, de Toeslagenaffaire een soort verzekeringskwestie, etc. En: zonder de mens Rutte zouden de kwade krachten winnen, hij was ons katechon (Oudgrieks voor ‘ga er maar aan staan’).

Een intellectueel die zo hartstochtelijk de macht omarmt – buitenlandse commentatoren viel het op. Want was het niet juist die macht, de systeemrot, waardoor het populisme hier zo welig tierde?

Laat ze praten. Met zijn cruciale omhelzing toonde Grunberg zich de grootste, meest Nederlandse schrijver. Kenner en vertolker van de volkswil. Wij zijn buigend riet, Rutte is onze premier en Grunberg is zijn oliemannetje. En de verdrukten en vertrapten van de Toeslagenaffaire dan? Dat zijn de mensenoffers, waarmee allicht groter kwaad is afgewend.

Voor dit alles is de P.C. Hooft-prijs te weinig beloning, een ministerschap (Defensie?) is wel het minste.