Geen visser heeft last van aalscholvers – toch liggen ze onder vuur

Biologie Uit onderzoek naar tienduizenden braakballen blijkt: aalscholvers eten geen commercieel interessante vis. Maar vissers en politici zijn ze liever kwijt dan rijk.

Een aalscholver laat zijn verenkleed drogen, zittend op een dode tak.
Een aalscholver laat zijn verenkleed drogen, zittend op een dode tak. Foto Sven-Erik Arndt/Getty Images

De vogel van de eeuwige tegenstellingen, zo zou je hem kunnen noemen: de aalscholver, onze zwart-gevederde viseter. Hij is een bekend silhouet langs oevers en op lantarenpalen. Sierlijk en wendbaar onder water, maar ietwat klungelig aan land. Geliefd onder fotografen en natuurliefhebbers, maar verguisd door vissers.

Eind november was de aalscholver in heel Europa in het nieuws. De visserijcommissie van het Europees Parlement had ‘het aalscholverprobleem’ op de agenda staan. Aalscholvers zouden de visserij jaarlijks vele tonnen vangst door de neus boren. Daarom zouden we aalscholvers moeten afschieten, vond de commissie.

Last van zwevend slib

Iedere paar jaar duikt de controverse weer op. Al in 1995 schreef deze krant over ‘het probleem aalscholver’. De kwestie ligt genuanceerd, zo was de strekking. Ja, aalscholvers eten vis, maar vooral commercieel oninteressante soorten, stelde bioloog Mennobart van Eerden van Rijkswaterstaat in dat artikel. En stel dat je aalscholvers zou afschieten, zei hij, dan is het maar de vraag of dat enige invloed zou hebben op de Nederlandse visserij.

We zijn 26 jaar verder. Intussen is er veel meer bekend van het ecosysteem van het IJsselmeer. Meer dan 40 jaar deed Van Eerden er onderzoek naar. Dit najaar ging hij met pensioen, maar nog steeds vliegt hij elke maand met een vliegtuigje over het gebied om de watervogels te tellen. Nog steeds gaat hij regelmatig het veld in, met waadpak en verrekijker, en schrijft hij wetenschappelijke artikelen.

„Het zijn prachtige beesten”, zegt Van Eerden. „Vooral in broedkleed. Die zwarte veren, die gele wangen, die rode mondhoek, die groene ogen. En dan die witte veertjes rond die kop.”

In vroeger eeuwen moeten er in Nederland tienduizenden aalscholvers hebben gebroed. Rond 1960 beleefden ze een dieptepunt door vervolging, habitatverlies en watervervuiling. De soort werd vanaf 1965 beschermd en de waterkwaliteit verbeterde. De aalscholvers maakten een indrukwekkende comeback, van enkele honderden broedparen rond 1960 tot zo’n 24.000 in 2010. Sindsdien dalen de aantallen; in 2020 waren er ruim 16.000 broedparen. De afname was het sterkst bij het IJsselmeer, het domein van de zoetwatervissers. Daar verdween in 30 jaar tijd 75 procent van de broedparen.

Waardoor komt dat? Van Eerden: „Het IJsselmeergebied is nog steeds een systeem in beweging. Het werd zoet vanaf de aanleg van de Afsluitdijk, in 1932. De helft van het oppervlak werd ingepolderd. In 1975 volgde de afsluiting van het Markermeer, dat sindsdien veel last heeft van zwevend slib. Al die factoren zijn van belang voor visetende watervogels.” Aalscholvers hebben water nodig dat niet te troebel is – want dan zien ze hun prooien onvoldoende – en niet te helder – want dan zien hun prooien hen te goed.

Wij hebben een unieke datareeks in handen die precies weerspiegelt hoe de visstand in het IJsselmeer zich heeft ontwikkeld

Mennobart van Eerden bioloog

Vanaf de jaren 1970 werd het IJsselmeer steeds voedselrijker, door instroom van meststoffen en organisch materiaal via de IJssel. Dat speelde allerlei vissoorten in de kaart. De vissers haalden recordvangsten binnen aan paling, snoekbaars en baars. En de aalscholvers begonnen aan hun opmars. „Maar zij bleken vooral kleinere vissoorten te eten”, zegt Van Eerden. „Hun dieet bestaat voor 70 tot 80 procent uit pos.”

Pos is een kleine inheemse baarssoort die niet commercieel wordt gevangen. Door pos te eten, zitten aalscholvers de vissers dus niet in de weg, redeneert Van Eerden. „Sterker nog: pos is een voedselconcurrent van waardevolle soorten zoals de paling”, zegt hij. Naast pos eten aalscholvers ook jonge baars, blankvoorn, snoekbaars en spiering – en de laatste jaren verschuift het dieet richting exotische soorten, zoals grondels uit Oost-Europa. Ook die zijn commercieel niet interessant.

Onderzoekers op weg naar de aalscholverkolonie Vooroever bij Wervershoof, aan het IJsselmeer bij Medemblik.
Foto Debby Doodeman
Uitgebraakte spiering. Aalscholvers eten vooral kleine vissen.
Foto Debby Doodeman
Door de vogels te meten en te wegen wordt de leeftijd en conditie vastgesteld.
Foto Debby Doodeman

Dat het dieet zo nauwkeurig bekend is, komt door een ongekende onderzoeksinspanning. Vele tienduizenden braakballen verzamelden Van Eerden en zijn collega’s rondom rustplekken en broedkolonies van aalscholvers. De slijmerige brokken bevatten de onverteerde visresten die ze één keer per dag uitbraken, net zoals uilen dat doen met muizenbotjes en -haren. „Die visresten kun je heel precies determineren”, vertelt Van Eerden. „Met name de gehoorbeentjes. Daaraan kun je zien om welke soort het gaat, en van welke maat.”

In de loop der jaren plozen Van Eerden en zijn collega’s de resten uit van circa een miljoen vissen. „Daarmee hebben wij een unieke datareeks in handen”, zegt hij, „die precies weerspiegelt hoe de visstand in het IJsselmeer zich heeft ontwikkeld.”

Want zo zit het, benadrukt hij. Het dieet is een weerspiegeling van het ecosysteem. Aalscholvers volgen de visstand – en niet andersom.

Andere braakballen

Het is een langlopend debat in de biologie: bepalen de roofdieren de aantallen prooidieren, of andersom? Het laatste, stelt Van Eerden. „We hebben ook nauwkeurige, langjarige datareeksen van visserijbiologen die het IJsselmeer bemonsteren. En vangstgegevens van de vissers. Als aalscholvers selectief bepaalde soorten zouden eten, dan zou de samenstelling van hun braakballen anders zijn dan die in het IJsselmeer. En dat is niet zo.”

De aalscholverstand volgt dan ook de ontwikkeling van de visbestanden. De viseters eten wat er volop beschikbaar is: de kleinere, talrijkere vissen laag in de voedselpiramide, en niet de grotere, zeldzamere roofvissen zoals snoekbaars en baars, waar de vissers naar op zoek zijn. Maar hoe zit het dan met die aalscholvers die je in havens ziet, die vissen proberen door te slikken die groter zijn dan hun kop? „Dat zijn de uitzonderingen”, zegt hij. „Dat is wat je zíét, bij een enkeling. Je ziet niet wat de meute doet: onder water kleine vissen doorslikken.”

Deze vogel hoort thuis in de natuur en is gewoon een heel goede visser

Joop Bongers Sportvisserij Nederland

Bioloog Stef van Rijn zegt nog iets stelligers: de enorme stijging van de aantallen aalscholvers vanaf de jaren 1970 hebben de vissers misschien wel aan zichzelf te wijten. „Door overbevissing van de roofvissen, zoals snoekbaars, kwamen er steeds meer kleine prooivissen, zoals pos. En dus steeds meer aalscholvers.” Van Rijn werkt bij Deltamilieu, een ecologisch adviesbureau gespecialiseerd in langlopende monitoring. Sinds 1995 werkt hij samen met Van Eerden. Tellingen, kleurringonderzoek, onderzoek naar broedsucces en overleving van jongen. En dieetonderzoek, aan braakballen. „Urenlang, wekenlang, turen door een binoculair in een labzaaltje”, lacht hij.

Van Rijn vindt dit werk „verslavend”. Omdat het zulke mooie vogels zijn, maar vooral omdat ze zo’n complex verhaal vertellen. „Ze zijn een indicator van het ecosysteem. Ze laten haarfijn zien wat er speelt.” Vogels afschieten om de visstand te verbeteren vindt hij onzinnig. „Onder meer in Frankrijk gebeurt dat al jaren”, zegt hij, „en dat heeft geen enkel effect. Dan krijgen de vogels het jaar erop gewoon meer jongen, of hun overleving is beter.”

Een heel goede visser

Joop Bongers, directeur van Sportvisserij Nederland, beaamt dat. „Het aanwezige ecosysteem bepaalt de draagkracht en wat er voorkomt”, zegt hij. „Wij vinden dat je niet actief op een soort moet ingrijpen. Deze vogel hoort thuis in de natuur en is gewoon een heel goede visser.”

Daarnaast komen vissen die een aalscholver níét opeet, niet per se beschikbaar voor vissers. „Het IJsselmeer is niet één homogene waterbak. Aalscholvers vissen op andere plekken dan vissers.” En ‘onze’ aalscholvers maken ook nog eens deel uit van een veel grotere, Europese populatie, waarin alles met elkaar is verbonden.

„En we moeten niet vergeten dat het IJsselmeer nu minder voedselrijk is dan vijftig jaar geleden, dankzij de verminderde instroom van meststoffen”, zegt Van Eerden. Dat vertaalt zich in een lagere visstand. Als je die zou willen verbeteren, dan zijn er wel zinvollere opties dan het afschieten van aalscholvers. „Duurzame visserij, zonering van activiteiten in tijd en ruimte, afgestemd op wat er kán en niet alleen op wat we willen”, vat hij samen. „Dan zie ik nog wel mogelijkheden. Maar wijzen naar ‘de zwarte vloot’ die onze vissers het leven zuur zou maken, is niet meer van deze tijd.”